DE PROFEETZEFÁNJA

HOOFDSTUK 2.

De profeet vermaant de Joden tot bekering, eer hun de straffen overvallen, inzonderheid de vromen die nog in het land overig waren, vs. 1, enz. Dreigementen over enige uitlandse heidense volken, 4, enz. Intussen voorzegt hij de beroeping der heidenen tot de kennis Gods en den waren godsdienst.

Oproep tot bekering
1

DOORZOEKT 1 uzelven nauw, ja, 2doorzoekt nauw, gij volk 3dat met geen lust bevangen wordt;

2

4Eer het besluit bare ( 5gelijk kaf gaat de dag voorbij), terwijl de hittigheid van des HEEREN toorn over ulieden nog niet komt; terwijl de dag van den toorn des HEEREN over ulieden nog niet komt.

3

Zoekt den HEERE, alle 6gij zachtmoedigen des lands, die 7Zijn recht werken; zoekt gerechtigheid, zoekt zachtmoedigheid, 8misschien 9zult gij verborgen worden in den dag van den toorn des HEEREN.

4

10Want Gaza 11zal verlaten wezen en Askelon zal ter verwoesting wezen; Asdod zal men 12in den middag verdrijven en 13Ekron zal uitgeworteld worden.

5

Wee de inwoners 14van de landstreek der zee, het volk 15der Cheretim: 16het woord des HEEREN zal tegen ulieden zijn, gij Kanaän, der Filistijnen land, en 17Ik zal u 18verdoen, dat er geen inwoner zal zijn.

6

En 19de landstreek der zee zal wezen tot hutten, 20uitgegraven putten der herders en betuiningen der kudden.

7

En 21de landstreek zal wezen voor het overblijfsel van het huis van Juda, 22dat zij daarin weiden; 23des avonds zullen zij in de huizen van Askelon legeren, 24als de HEERE hunlieder God hen zal 25bezocht en hun gevangenis zal gewend hebben.

8

Ik heb 26de beschimping van Moab gehoord en de scheldwoorden der kinderen Ammons, waarmede zij Mijn volk beschimpt hebben, en hebben 27zich groot gemaakt tegen deszelfs landpale.

9

Daarom, 28zo waarachtig als Ik leef, spreekt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: 29Moab zal zekerlijk zijn 30als Sódom, en de kinderen Ammons als Gomórra, een netelheide en 31een zoutgroeve en een verwoesting 32tot in eeuwigheid; de overigen Mijns volks 33zullen hen beroven en het overige Mijns volks 34zal hen erfelijk bezitten.

10

Dat zullen zij hebben 35in plaats van hun hoogmoed, want zij hebben beschimpt, en hebben zich groot gemaakt tegen het volk des HEEREN der heirscharen.

11

Vreselijk zal de HEERE tegen hen wezen, want Hij zal al de goden der aarde 36doen uitteren; en 37een iegelijk uit zijn plaats 38zal Hem aanbidden, 39al de eilanden der heidenen.

12

40Ook gij, Moren, zult de verslagenen 41Mijns zwaards zijn.

13

42Hij zal ook Zijn hand uitstrekken tegen het noorden, en Hij zal 43Assur verdoen; en Hij zal Ninevé 44stellen tot een verwoesting, 45droog als een woestijn.

14

En in het midden van haar zullen de kudden legeren, al het gedierte der 46volken; ook de 47roerdomp, ook de nachtuil zullen op 48haar granaatappelen vernachten; 49een stem zal in het venster zingen, verwoesting zal 50in den dorpel zijn, als 51Hij 52haar cederwerk 53zal ontbloot hebben.

15

54Dit is die stad die opspringt van vreugde, 55die zeker woont, die in haar hart zegt: 56Ik ben het, en buiten mij is geen meer. 57Hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder die daar doortrekt, 58zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand 59bewegen.