HET VIERDE BOEK VANMOZES,GENAAMDNUMERI

HOOFDSTUK 6.

Wetten van de gelofte van het nazireeërschap, vs. 1, enz. Van de reinheid daarin gevorderd, 3. Van de wijze hoe een nazireeër die verontreinigd was, moest verzoend worden, 9. Van de ceremoniën die men gebruiken moest, als de gelofte volbracht was, 13. Van het formulier der zegening hetwelk de priesters moesten volgen in het zegenen der gemeente, 22.

De gelofte van het nazireeërschap
1

EN de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

2

Spreek tot de kinderen Israëls en zeg tot hen: Wanneer een man of een vrouw zich afgescheiden zal hebben, belovende de gelofte eens 1nazireeërs, om zich den HEERE af te zonderen;

3

Van wijn en sterken drank zal hij zich afzonderen; wijn-edik en edik van sterken 2drank zal hij niet drinken, noch enige 3vochtigheid van druiven zal hij drinken, noch verse of gedroogde druiven eten.

4

Al de dagen van zijn nazireeërschap zal hij niet eten van iets dat van den 4wijnstok des wijns gemaakt is, van de kernen af tot de 5basten toe.

5

Al de dagen der gelofte van zijn nazireeërschap zal het ascheermes over zijn hoofd niet gaan; totdat die dagen vervuld zullen zijn, die hij zich den HEERE zal afgezonderd hebben, zal hij 6heilig zijn, latende de lokken van het haar zijns hoofds wassen.

6

Al de dagen die hij zich den HEERE zal afgezonderd hebben, zal hij tot het 7lichaam eens doden niet gaan.

7

Om zijn vader of om zijn moeder, om zijn broeder of om zijn zuster, om hen zal hij zich niet verontreinigen, als zij dood zijn; want 8het nazireeërschap zijns Gods is op zijn hoofd.

8

Al de dagen zijns nazireeërschaps is hij den HEERE heilig.

9

En zo de gestorvene bij hem onvoorziens haastelijk gestorven ware, dat hij 9het hoofd van zijn nazireeërschap zou verontreinigd hebben, zo zal hij op den dag zijner reiniging zijn hoofd 10bescheren; op 11den zevenden dag zal hij het bescheren.

10

En op den achtsten dag zal hij twee tortelduiven of twee 12jonge duiven brengen tot den priester, tot de deur van de tent der samenkomst.

11

De priester nu zal een bereiden ten zondoffer en een ten brandoffer, en zal voor hem verzoening doen, van dat hij 13aan het 14dode lichaam 15gezondigd heeft; alzo zal hij zijn hoofd op dienzelven dag 16heiligen.

12

Daarna zal hij de dagen van zijn nazireeërschap den HEERE 17afzonderen, en zal 18een lam dat eenjarig is, brengen ten schuldoffer; en de vorige dagen zullen 19vallen, omdat zijn nazireeërschap verontreinigd was.

13

En dit is de wet 20des nazireeërs: ten dage als de dagen van zijn nazireeërschap zullen vervuld zijn, zal hij 21dit brengen tot de deur van de tent der samenkomst:

14

Hij dan zal tot zijn offerande den HEERE offeren een volkomen 22eenjarig lam ten brandoffer en een volkomen 23eenjarig ooilam ten zondoffer, en een volkomen ram ten dankoffer,

15

En een korf ongezuurde koeken, koeken van meelbloem met olie gemengd, en ongezuurde vladen met olie bestreken, mitsgaders 24hun spijsoffer en hun drankoffers.

16

En de priester zal het voor het aangezicht des HEEREN 25brengen, en zal zijn zondoffer en zijn brandoffer bereiden.

17

Hij zal ook den ram ten dankoffer den HEERE bereiden, met den korf der ongezuurde koeken; en de priester zal zijn spijsoffer en 26zijn drankoffer bereiden.

18

Alsdan zal de nazireeër aan de deur van de tent der samenkomst 27bhet hoofd van zijn nazireeërschap bescheren; en hij zal het hoofdhaar van zijn nazireeërschap nemen, en hij zal het leggen op het vuur dat onder het dankoffer is.

19

Daarna zal de priester een gezoden schouder nemen van den ram en één ongezuurden koek uit den korf en één ongezuurde vlade; en hij zal ze op de handen des nazireeërs leggen, nadat hij zijn 28nazireeërschap afgeschoren heeft.

20

En de priester zal die cbewegen ten 29beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN; het is een heilig ding voor den priester, met de borst des beweegoffers en met den 30schouder des hefoffers; en daarna zal die nazireeër wijn drinken.

21

Dat is de wet des nazireeërs, die zijn offerande den HEERE voor zijn nazireeërschap zal beloofd hebben, 31behalve wat zijn hand bekomen zal; naar zijn gelofte dewelke hij beloofd zal hebben, alzo zal hij doen 32naar de wet van zijn nazireeërschap.

De priesterlijke zegen
22

En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

23

Spreek tot Aäron en zijn zonen, zeggende: Alzo zult gijlieden de kinderen Israëls 33zegenen, zeggende tot hen:

24

De HEERE 34zegene u en behoede u;

25

De HEERE 35doe Zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig;

26

De HEERE 36verheffe Zijn aangezicht over u en 37geve u 38vrede.

27

Alzo zullen zij 39Mijn Naam op de kinderen Israëls leggen; en Ik zal hen zegenen.