HET BOEKESTHER

HOOFDSTUK 5.

De koningin Esther trekt een koninklijk kleed aan, en gaat tot den koning, vs. 1. Die haar den gouden scepter toereikt, 2. En hij belooft haar haar bede te geven, 3. Zij nodigt den koning en Haman ter maaltijd, 4. De koning met Haman bij Esther gekomen zijnde op dien maaltijd, 5. Belooft wederom haar haar bede te geven, 6. Zij nodigt den koning en Haman ten anderen male, 7. Haman verblijdde zich hierin zeer, maar hij vertoornt zich ten hoogste, ziende dat Mordechai hem niet eerde, 9. Dit alles vertelt hij zijn vrouw en vrienden, 10. Die raden hem dat hij een galg vijftig ellen hoog zou laten maken, om Mordechai daaraan te hangen; welken raad hij volgt, 14.

Esther bij den koning
1

HET geschiedde nu aan 1den derden dag, dat Esther 2een koninklijk kleed aantrok en stond in het binnenste voorhof van des konings huis, tegenover 3het huis des konings; de koning nu zat op zijn koninklijken troon in het koninklijke huis, tegenover de deur van het huis.

2

En het geschiedde toen de koning de koningin Esther zag, staande 4in het voorhof, verkreeg zij genade in zijn ogen, zodat de koning den gouden scepter, die in zijn hand was, 5Esther toereikte, en Esther naderde en 6roerde de 7spits des scepters aan.

3

Toen zeide de koning tot haar: Wat is u, koningin Esther, of wat is uw verzoek? Het zal u gegeven worden, 8ook tot de helft des koninkrijks.

4

Esther nu zeide: Indien het den koning goeddunkt, zo kome de koning met Haman heden tot den maaltijd dien ik 9hem bereid heb.

5

Toen zeide de koning: Doet Haman spoeden, dat hij 10het bevel van Esther doe. Als nu de koning met Haman tot den maaltijd dien Esther bereid had, gekomen was,

6

Zo zeide de koning tot Esther 11op den maaltijd des wijns: Wat is uw bede? en het zal u gegeven worden; en wat is uw verzoek? het zal geschieden, ook tot de helft des koninkrijks.

7

Toen antwoordde Esther en zeide: Mijn bede en verzoek is:

8

Indien ik genade gevonden heb in de ogen des konings, en indien het den koning goeddunkt mij te geven mijn bede, en mijn verzoek te doen, zo kome de koning met Haman tot den maaltijd dien ik hem bereiden zal, 12zo zal ik morgen doen 13naar het bevel des konings.

9

Toen ging Haman ten zelven dage uit, 14vrolijk en 15goedsmoeds; maar toen Haman Mórdechai zag in de poort 16des konings, en dat hij niet opstond, noch 17zich voor hem bewoog, zo werd Haman vervuld met grimmigheid op Mórdechai.

10

Doch Haman 18bedwong zich en hij kwam tot zijn huis; en hij zond heen en liet zijn vrienden komen, en Zeres, zijn huisvrouw.

11

En Haman vertelde hun de heerlijkheid zijns rijkdoms en 19de veelheid zijner zonen, en alles waarin de koning hem groot gemaakt had en 20waarin hij hem verheven had boven de vorsten en knechten des konings.

12

Verder zeide Haman: Ook heeft de koningin Esther niemand met den koning doen komen tot den maaltijd dien zij bereid heeft, dan mij; en 21ik ben ook tegen morgen 22van haar met den koning genodigd.

13

Doch dit alles 23baat mij niet, zo langen tijd als ik den Jood Mórdechai zie zitten in de poort des konings.

14

Toen zeide zijn huisvrouw Zeres tot hem, mitsgaders al zijn vrienden: Men make 24een galg, vijftig ellen hoog, en zeg morgen den koning, dat men Mórdechai daaraan hange; ga dan vrolijk met den koning tot dien maaltijd. 25Deze raad nu dacht Haman goed en 26hij deed de galg maken.