HET *BOEK DERPSALMEN

PSALM 42.

De profeet klaagt bitterlijk in zijn ballingschap over het ontberen van den openbaren godsdienst en over de godslasteringen zijner vijanden, waardoor zijn geest overstelpt wordt; doch hij verwekt zijn ziel weder tot een vaste hoop en vertrouwen op Gods genade.

Verlangen naar God
1

EEN 1onderwijzing, voor den 2opperzangmeester, onder de 3kinderen van Korach.

2

Gelijk een 4hert 5schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God.

3

aMijn ziel 6dorst naar God, naar den levenden God; wanneer zal ik 7ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen?

4

bMijn tranen zijn mij tot 8spijze dag en nacht, omdat zij den gansen dag tot mij zeggen: 9Waar is uw God?

5

Ik gedenk daaraan en stort mijn ziel uit 10in mij, omdat ik placht heen te gaan onder de schare, en met hen 11te treden naar Gods huis, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte.

6

cWat 12buigt gij u neder, o mijn ziel, en zijt onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven 13voor de verlossingen Zijns 14aangezichts.

7

O mijn God, mijn ziel buigt zich neder in mij; daarom gedenk ik Uwer uit het land van de 15Jordaan en 16Hermonim, uit het 17klein gebergte.

8

18De afgrond roept tot den afgrond, bij het 19gedruis Uwer 20watergoten; al Uw baren en Uw golven zijn over mij heen gegaan.

9

21Maar de HEERE zal des daags Zijn goedertierenheid 22gebieden, en des nachts zal 23Zijn lied bij mij zijn, het gebed tot den God 24mijns levens.

10

Ik zal zeggen tot God: 25Mijn Steenrots, waarom 26vergeet Gij mij? Waarom ga ik d27in het zwart vanwege des vijands onderdrukking?

11

Met een 28doodsteek in mijn beenderen honen mij mijn wederpartijders, als zij den gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God?

12

Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de 29menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God.