HET TWEEDE BOEK DERKRONIEKEN

HOOFDSTUK 34.

Josia is godvruchtig, vs. 1, enz. Roeit alle afgoderij uit, 4. Repareert den tempel, 8. De overpriester Hilkia vindt het wetboek in den tempel, 14. De koning laat daarover den Heere door de profetes Hulda vragen, 20. Die profeteert dat het koninkrijk van Juda ten onder gaan zou, 23. Maar niet in het leven van Josia, 26. Die daarover de gemeente doet verzamelen, en het wetboek lezen, vernieuwende het verbond met God, 29.

De reformatie onder Josía
1

JOSÍA 1 was 2acht jaren oud toen hij koning werd, en regeerde een en dertig jaar te Jeruzalem.

2

En hij deed wat recht was in de ogen des HEEREN, en 3wandelde in de wegen van zijn vader David en 4week niet af ter rechter- noch ter linkerhand.

3

Want in het achtste jaar zijner regering, toen hij nog 5een jongeling was, begon hij den God van zijn vader David te 6zoeken; en in het 7twaalfde jaar begon hij Juda en Jeruzalem avan de hoogten en de bossen en de gesneden en de gegoten beelden te reinigen.

4

En men brak 8voor zijn aangezicht af de altaren 9der Baäls; en de 10zonnebeelden die omhoog boven 11dezelve waren, hieuw hij af; de 12bossen ook en de gesneden en gegoten beelden verbrak en vergruisde en 13strooide hij op de graven dergenen die hun geofferd hadden.

5

En 14de beenderen der priesters verbrandde hij op 15hun altaren; en hij reinigde Juda en Jeruzalem.

6

Daartoe in de steden van Manasse en Efraïm en Simeon, ja, tot Naftali toe, 16in haar woeste plaatsen rondom,

7

Brak hij ook de altaren af en de bossen, en de gesneden beelden 17stampte hij, die vergruizende, en al de zonnebeelden hieuw hij af in het ganse land Israëls; daarna keerde hij weder naar Jeruzalem.

8

In bhet achttiende jaar nu zijner regering, als hij het land en het 18huis 19gereinigd had, zond hij Safan, den zoon van Azália, en Maäséja, den 20overste der stad, en Joah, den zoon van Jóahaz, den kanselier, 21om het huis des HEEREN zijns Gods te verbeteren.

9

En zij kwamen 22tot Hilkía, den 23hogepriester, en 24zij gaven het geld dat ten huize Gods gebracht was, hetwelk de Levieten die den 25dorpel bewaarden, vergaderd hadden uit de hand van 26Manasse en Efraïm en uit 27het ganse overblijfsel van Israël, en uit gans Juda en Benjamin, en te Jeruzalem wedergekomen 28waren.

10

29Zij nu gaven het in de hand 30der verzorgers van het werk, die besteld waren over het huis des HEEREN; en dezen gaven dat dengenen die het werk deden, die arbeidden aan het huis des HEEREN, om het huis te 31vermaken en te verbeteren.

11

cWant zij gaven het den werkmeesters en den bouwlieden, om 32gehouwen stenen te kopen en hout tot de 33samenvoegingen, en om de 34huizen te zolderen, die 35de koningen van Juda verdorven hadden.

12

En die mannen handelden 36trouwelijk in dit werk; en de 37bestelden over dezelve waren Jahath en Obadja, Levieten van de kinderen van Merári, mitsgaders Zacharía en Mesullam, van de kinderen der Kahathieten, om het werk voort te drijven; 38en die Levieten waren allen verstandig op instrumenten van muziek.

13

Zij waren ook over de lastdragers, en de voortdrijvers van allen die in 39enig werk arbeidden; want uit de Levieten waren schrijvers en 40ambtlieden en portiers.

Het wetboek teruggevonden
14

En als zij het geld uitnamen dat in het huis des HEEREN gebracht was, vond de priester Hilkía 41het wetboek des HEEREN, gegeven door de hand van Mozes.

15

En Hilkía 42antwoordde en zeide tot Safan, den schrijver: Ik heb het wetboek gevonden in het huis des HEEREN. En Hilkía gaf Safan het boek.

16

En Safan droeg het boek tot den koning; daarbenevens bracht hij nog den koning 43bescheid weder, zeggende: 44Al wat in de hand uwer knechten gegeven is, dat doen zij;

17

En zij hebben het geld 45samengestort dat in het huis des HEEREN gevonden is, en hebben het gegeven in de hand der bestelden en in de hand dergenen die het werk 46maakten.

18

Voorts gaf Safan, de schrijver, den koning te kennen, zeggende: Hilkía, de priester, heeft mij een boek gegeven. En Safan las daarin voor het aangezicht des konings.

19

Het geschiedde nu als de koning de woorden der wet hoorde, dat 47hij zijn klederen scheurde.

20

En de koning gebood Hilkía en Ahíkam, den zoon van Safan, en 48Abdon, den zoon van Micha, en Safan, den schrijver, en Asája, den knecht des konings, zeggende:

21

Gaat heen, vraagt den HEERE voor mij en voor 49het overgeblevene in Israël en in Juda, over de woorden dezes boeks, dat gevonden is; want de grimmigheid des HEEREN is groot, die over ons 50uitgegoten is, omdat onze vaders niet hebben gehouden het woord des HEEREN, om te doen naar al hetgeen dat in dat boek geschreven is.

22

Toen ging Hilkía heen en die 51des konings waren, tot de profetes Hulda, de huisvrouw van Sallum, den zoon van 52Tokhat, den zoon van Hasra, den 53klederbewaarder. Zij nu woonde te Jeruzalem in het 54tweede deel; en zij spraken 55zulks tot haar.

23

En zij zeide tot hen: Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Zegt den man die ulieden tot Mij gezonden heeft:

24

Zo zegt de HEERE: Zie, Ik zal 56kwaad over deze plaats en over haar inwoners brengen; al de vloeken die geschreven zijn in het boek 57dat men voor het aangezicht des konings van Juda gelezen heeft.

25

Daarom dat zij 58Mij verlaten en anderen goden gerookt hebben, opdat zij Mij tot toorn verwekten met alle 59werken hunner handen, zo zal Mijn grimmigheid uitgegoten worden tegen deze plaats en niet uitgeblust worden.

26

Maar tot den koning van Juda, die ulieden gezonden heeft om den HEERE te vragen, tot hem zult gij alzo zeggen: Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Aangaande de woorden 60die gij hebt gehoord:

27

Omdat uw hart 61week geworden is en gij u voor het aangezicht Gods vernederd hebt, als gij Zijn woorden hoordet tegen deze plaats en tegen haar inwoners, en hebt u vernederd voor Mijn aangezicht en uw klederen gescheurd en geweend voor Mijn aangezicht, zo heb Ik u ook verhoord, spreekt de HEERE.

28

Zie, Ik zal u verzamelen tot uw vaderen, en gij zult 62met vrede in uw 63graf verzameld worden en uw ogen zullen al dat kwaad niet zien, dat Ik over deze plaats en over haar inwoners brengen zal. En zij brachten den koning dit antwoord weder.

29

dToen zond de koning heen, en verzamelde alle 64oudsten van Juda en Jeruzalem.

30

En de koning ging op in het huis des HEEREN, en al de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem, mitsgaders de priesters en de Levieten, en al het volk, van den grote tot den kleine toe; en 65men las voor hun oren al de woorden van het boek des verbonds, dat in het huis des HEEREN gevonden was.

31

En de koning stond in zijn 66standplaats en emaakte een verbond voor des HEEREN aangezicht om den HEERE na te wandelen, en om Zijn geboden en Zijn 67getuigenissen en Zijn inzettingen 68met zijn ganse hart en met zijn ganse ziel te onderhouden, doende de woorden des verbonds, die in datzelve boek geschreven zijn.

32

En hij 69deed allen die te Jeruzalem en in Benjamin gevonden werden, staan; en de inwoners van Jeruzalem 70deden naar het verbond van God, den God hunner vaderen.

33

Josía dan deed alle 71gruwelen weg uit alle landen die der kinderen Israëls waren, en 72maakte allen die in Israël gevonden werden, te dienen, te dienen den HEERE hun God; 73al zijn dagen 74weken zij niet af 75van den HEERE, den God hunner vaderen, na te volgen.