DE PROFEETHOSÉA

HOOFDSTUK 10.

God klaagt over Israëls ondankbaarheid, afgoderij (inzonderheid met de gouden kalveren), meinedigheid, goddeloosheid, verkeerdheid en ijdel vertrouwen op hun praktijken en helden, alles tegen Zijn getrouwe vermaningen. Dies Hij hun voorzegt de vernieling van alle afgodisch gereedschap, wegvoering der gouden kalveren, tot hun schande en schaamte, mitsgaders den ondergang van hun koning en weelderigen staat, met de uiterste benauwdheid en troosteloosheid in al deze nakende ellenden, die hun van vijandelijke volken door Zijn rechtvaardig oordeel zouden overkomen.

De naderende verwoesting
1

ISRAËL 1is een uitgeledigde wijnstok, 2hij brengt weder vrucht voor zich; maar naar de veelheid zijner vrucht heeft hij de aaltaren vermenigvuldigd; naar de 3goedheid zijns lands hebben zij de opgerichte beelden 4goed gemaakt.

2

5Hij heeft hun hart 6verdeeld, nu zullen zij 7verwoest worden; Hij zal hun altaren 8doorhouwen, Hij zal hun opgerichte beelden verstoren.

3

Want 9nu zullen zij zeggen: Wij hebben b10geen koning; want wij hebben den HEERE niet gevreesd; wat zou ons dan een koning 11doen?

4

Zij hebben 12woorden gesproken, 13valselijk zwerende in het verbondmaken; daarom zal het 14oordeel als een 15vergiftig kruid 16groenen op de voren der velden.

5

De 17inwoners van Samaría zullen verschrikt zijn over het 18kalf van 19Beth-Aven; want 20zijn volk 21zal over hetzelve treuren, mitsgaders zijn 22Chemarim (die zich over hetzelve verheugden), over zijn heerlijkheid, 23omdat zij van hetzelve is weggevaren.

6

Ja, 24datzelve zal naar Assur gevoerd worden tot een geschenk voor den koning 25Jareb; Efraïm zal schaamte behalen en Israël zal beschaamd worden vanwege zijn 26raadslag.

7

De koning van 27Samaría is afgehouwen, als 28schuim op het water.

8

En de hoogten van 29Aven, Israëls 30zonde, zullen verdelgd worden; 31doornen en distelen zullen op hunlieder altaren opkomen; en czij zullen zeggen tot de bergen: 32Bedekt ons; en tot de heuvelen: Valt op ons.

9

33Sinds de dagen van dGíbea hebt gij gezondigd, o Israël; daar zijn zij 34staande gebleven; de strijd te Gíbea, tegen de 35kinderen der verkeerdheid, zal hen 36niet aangrijpen.

10

37Het is in Mijn lust dat Ik hen zal 38binden; en volken zullen tegen henlieden verzameld worden, 39als Ik hen binden zal in hun twee 40voren.

11

Dewijl Efraïm een 41vaars is, 42gewend gaarne te dorsen, zo ben Ik over de 43schoonheid van haar hals overgegaan; Ik zal Efraïm 44berijden, Juda zal ploegen, Jakob zal 45voor zich eggen.

12

46Zaait u 47tot gerechtigheid, maait 48tot weldadigheid; e49braakt u een braakland; dewijl het tijd is den HEERE te zoeken, totdat Hij kome en over u de 50gerechtigheid 51regene.

13

52Gij hebt goddeloosheid geploegd, 53verkeerdheid gemaaid en de 54vrucht der leugen gegeten; want gij hebt vertrouwd op uw 55weg, op de veelheid uwer helden.

14

Daarom zal er een groot 56gedruis ontstaan onder uw 57volken, en al uw vestingen 58zullen verstoord worden, gelijk 59Salman 60Beth-Arbel verstoorde ten dage des 61krijgs; de 62moeder werd er verpletterd met de zonen.

15

Alzo heeft 63Bethel ulieden gedaan, vanwege de 64boosheid uwer boosheid; Israëls 65koning is in den 66dageraad 67ten enenmale uitgeroeid.