PROVERBIA.DE SPREUKENSPREUKENVAN SÁLOMOVAN SÁLOMO

HOOFDSTUK 6.

Waarschuwing voor borgtocht, vs. 1, enz. Voor luiheid, met beschaming door het voorbeeld der mieren, 6. Voor het wezen en de gebaren van een deugniet, 12. Zes, ja, zeven dingen die God haat, 16. Plicht der kinderen jegens het goede onderwijs hunner ouders, met schone beloften, 20. Inzonderheid van bewaard te zullen zijn voor de hoerachtige, overspelige vrouwen, die met haar schadelijke vruchten, haar eigen en harer aanhangers onzalig einde, beschreven worden, 24. Vergelijking van diefstal en overspel, 30.

Allerlei waarschuwingen
1

MIJN 1 zoon, zo gij voor uw naaste borg geworden zijt, 2voor een vreemde 3uw hand toegeklapt hebt;

2

4Gij zijt verstrikt met de redenen uws monds; gij zijt gevangen met de redenen uws monds.

3

Doe nu dit, mijn zoon, en 5red u, dewijl gij 6in de hand uws naasten gekomen zijt: ga, 7onderwerp uzelven en 8sterk uw naaste;

4

9Laat uw ogen geen slaap toe, noch uw oogleden sluimering;

5

10Red u als een ree uit de hand des jagers, en als een vogel uit de hand des vogelvangers.

6

Ga tot de mier, gij luiaard, zie haar 11wegen en word wijs;

7

Dewelke, geen 12overste, ambtman, noch heerser hebbende,

8

Haar 13brood bereidt in den zomer, haar spijze vergadert in den oogst.

9

Hoe lang zult gij, aluiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uw slaap opstaan?

10

14Een weinig slapen, een weinig sluimeren, een weinig handvouwen, al nederliggende;

11

Zo zal uw armoede u overkomen 15als een wandelaar, en uw gebrek 16als een gewapend man.

12

Een 17Belialsmens, 18een ondeugdzaam man, gaat met 19verkeerdheid des monds om,

13

20Wenkt met 21zijn ogen, 22spreekt met zijn voeten, 23leert met zijn vingers;

14

In zijn hart zijn 24verkeerdheden, hij 25smeedt te allen tijde kwaad, hij 26werpt twisten in.

15

Daarom zal zijn verderf haastelijk komen; hij zal schielijk verbroken worden, dat er 27geen genezen aan zij.

16

Deze 28zes haat de HEERE, ja, 29zeven zijn Zijn 30ziel een gruwel:

17

b31Hoge ogen, een 32valse tong, en handen die onschuldig bloed vergieten,

18

Een hart dat 33ondeugdzame gedachten smeedt, c34voeten die zich haasten om tot kwaad te lopen,

19

35Een vals getuige die leugens 36blaast, en die tussen broederen krakelen 37inwerpt.

20

Mijn zoon, dbewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet.

21

38Bind ze steeds aan uw ehart, hecht ze aan uw hals.

22

Als gij wandelt, zal f39dat u geleiden; als gij nederligt, zal het over u de wacht houden; als gij wakker wordt, zal hetzelve 40met u spreken.

23

Want g41het gebod is een 42lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der 43tucht zijn de 44weg des levens,

24

Om u te bewaren voor de 45kwade vrouw, voor de 46hvleiing der 47vreemde tong.

25

Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat haar u niet vangen 48met haar oogleden.

26

Want door 49een vrouw die een hoer is, komt men tot 50een stuk brood; en 51eens mans huisvrouw 52jaagt de kostelijke ziel.

27

53Zal iemand vuur in zijn boezem nemen, dat zijn klederen niet verbrand worden?

28

Zal iemand op 54kolen gaan, dat zijn voeten niet branden?

29

55Alzo wie 56tot zijns naasten huisvrouw ingaat; al wie haar 57aanroert, zal niet 58onschuldig gehouden worden.

30

59Men doet een dief geen verachting aan als hij steelt om zijn 60ziel te vullen dewijl hij honger heeft;

31

En gevonden zijnde, vergeldt hij het i61zevenvoudig; hij geeft 62al het goed van zijn huis.

32

Maar wie met een vrouw overspel doet, 63is verstandeloos; hij verderft zijn ziel, 64die dat doet;

33

Plaag en schande zal hij vinden, en zijn smaad zal niet 65uitgewist worden.

34

Want jaloersheid is een grimmigheid des mans, en 66in den dag der wraak zal hij 67niet verschonen.

35

68Hij zal geen 69verzoening aannemen; en hij zal niet bewilligen, ofschoon gij het 70geschenk vergroot.