HET VIJFDE BOEK VANMOZES,GENAAMDDEUTERONOMIUM

HOOFDSTUK 15.

Wanneer en hoe zij het vrijjaar moesten houden, vs. 1, enz. Een ernstig bevel van het bezorgen der armen in Israël, met belofte van Gods zegen, 7. Van de vrijlating der gekochte Hebreeuwse knechten en maagden, insgelijks hoe men met hen zou handelen indien zij begeerden te blijven, 12. Van het heiligen van het eerstgeboren vee, 19.

Het jaar der vrijlating
1

TEN a1einde van zeven jaren zult gij een 2vrijlating 3maken.

2

Dit nu is de 4zaak der vrijlating, dat ieder 5schuldheer, die zijn naaste zal geleend hebben, vrijlate; hij zal zijn naaste of zijn broeder niet manen, 6dewijl men 7den HEERE een vrijlating heeft uitgeroepen.

3

Den vreemde zult gij manen; maar wat gij 8bij uw broeder hebt, zal uw hand vrijlaten;

4

9Alleenlijk omdat er geen 10bedelaar onder u zal zijn; 11want de HEERE zal u 12overvloediglijk zegenen in het land dat u de HEERE uw God ten erve zal geven om hetzelve erfelijk te bezitten;

5

Indien gij slechts de stem des HEEREN uws Gods 13vlijtiglijk zult gehoorzamen, dat gij waarneemt te doen al deze geboden die ik u heden gebied.

6

14Want de HEERE uw God zal u zegenen, gelijk als Hij tot u heeft gesproken; zo bzult gij aan vele volken lenen, maar gij zult niet ontlenen; en gij zult over vele volken heersen, maar over u zullen zij niet heersen.

7

Wanneer er onder u een arme zal zijn, 15een uit uw broederen, in een uwer poorten, in uw land dat de HEERE uw God u geven zal, zo zult gij uw hart niet verstijven, noch uw hand toesluiten voor uw broeder die arm is;

8

Maar gij zult hem uw hand 16mildelijk opendoen, en zult hem 17rijkelijk lenen, 18genoeg voor zijn gebrek dat hem ontbreekt.

9

Wacht u, dat in uw hart geen 19Belials 20woord zij om te zeggen: Het zevende jaar, het jaar der vrijlating, naakt; dat uw oog 21boos zij tegen uw broeder die arm is, en dat gij hem niet geeft; en hij over u roepe tot den HEERE en 22zonde in u zij.

10

cGij zult hem 23mildelijk geven, en uw hart zal niet boos zijn 24, als gij hem geeft; want om dezer zaak wil zal u de HEERE uw God zegenen in al uw werk 25en in alles waaraan gij uw hand slaat.

11

Want dde arme 26zal niet ophouden uit het midden des lands; daarom gebied ik u, zeggende: Gij zult uw hand 27mildelijk opendoen aan uw broeder, aan 28uw bedrukte en aan uw arme in uw land.

12

eWanneer uw broeder, een 29Hebreeër, of een Hebreeërin, aan u 30verkocht zal zijn, 31zo zal hij u zes jaren dienen; maar in het zevende jaar zult gij hem vrij van u laten gaan.

13

En als gij hem vrij van u gaan laat, zo zult gij hem niet ledig laten gaan:

14

Gij zult hem 32rijkelijk opleggen van uw kudde en van uw dorsvloer en van uw wijnpers; waarin u de HEERE uw God gezegend heeft, daarvan zult gij hem geven.

15

En gij zult gedenken dat gij een dienstknecht in Egypteland geweest zijt en dat u de HEERE uw God verlost heeft; daarom gebied ik u heden deze zaak.

16

Maar het zal geschieden als hij tot u zeggen zal: Ik zal niet van u uitgaan; omdat hij u en uw huis liefheeft, 33dewijl het hem wel bij u is,

17

Zo zult gij feen priem nemen en 34steken in zijn oor en in de deur, en hij zal 35eeuwiglijk uw dienstknecht zijn; en aan uw dienstmaagd zult gij ook alzo doen.

18

Het zal niet 36hard zijn in uw ogen, als gij hem vrij van u gaan laat, want 37als een dubbelloons-dagloner heeft hij u zes jaren gediend; zo zal u de HEERE uw God zegenen in alles wat gij doen zult.

De eerstgeborenen van het vee
19

gAl het eerstgeborene dat onder uw runderen en onder uw schapen zal geboren worden, zijnde een mannetje, zult gij den HEERE uw God 38heiligen; gij zult niet arbeiden met den eerstgeborene van uw os, noch de eerstgeborene uwer schapen scheren.

20

Voor het aangezicht des HEEREN uws Gods zult gij ze jaar op jaar eten in de plaats die de HEERE zal verkiezen, gij en uw 39huis.

21

hDoch als enig gebrek daaraan zal zijn, hetzij mank of blind of enig kwaad gebrek, zo zult gij het den HEERE uw God niet offeren;

22

In uw poorten zult gij het eten; de onreine en de reine tezamen, als een 40ree en als een hert.

23

iZijn bloed alleen zult gij niet eten; 41gij zult het op de aarde uitgieten als water.