DE TWEEDE ZENDBRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUSAAN DIE VANKORINTHE

HOOFDSTUK 13.

1 De apostel betuigt nu wederom, zo de voorgaande zonden niet werden verbeterd, dat hij zal komen, om zonder verder uitstel de daders daarvan te straffen. 3 En hun metterdaad te doen bevinden hoe krachtig Christus in hem was. 5 Vermaant hen dat zij zichzelven onderzoeken, of Christus in hen is. 7 Wenst wederom dat zij de straf voorkomen met wel doen. 9 En verklaart dat hij zich dan over hen zal verblijden. 10 Alzo zijn macht moet strekken tot stichting en niet tot verbreking. 11 Besluit daarna den brief met een vermaning tot verscheidene christelijke deugden. 12 Met den gewoonlijken groet. 13 En met een gebed voor hen tot God den Vader, Zoon en Heiligen Geest.

Laatste vermaningen
1

DIT is 1de derde maal dat ik tot u kom: ain den mond van twee 2of drie getuigen zal 3alle woord bestaan.

2

Ik heb het tevoren gezegd, en zeg het tevoren als tegenwoordig zijnde de tweede maal, en ik schrijf het nu afwezend aan degenen 4die tevoren gezondigd hebben, en aan al 5de anderen, dat zo ik wederom kom, ik hen6niet zal sparen;

3

Dewijl gij 7zoekt een proeve van Christus Die 8in mij spreekt, Welke in u 9niet zwak is, maar krachtig is onder u.

4

Want hoewel Hij 10gekruist is 11door zwakheid, 12zo leeft Hij nochtans 13door de kracht Gods. Want ook 14wij zijn zwak 15in Hem, maar 16zullen met Hem leven door de kracht Gods in u.

5

b17Onderzoekt uzelven of gij in het geloof zijt, 18beproeft uzelven. Of kent gij uzelven niet, dat Jezus Christus in u is? Tenzij dat gij enigszins 19verwerpelijk zijt.

6

Doch ik hoop 20dat gij zult verstaan dat wij 21niet verwerpelijk zijn.

7

En ik wens van God, dat gij geen kwaad doet; 22niet opdat wij 23beproefd zouden 24bevonden worden, maar opdat gij het goede zoudt doen en wij 25als verwerpelijk zouden zijn.

8

Want wij vermogen niets tegen de waarheid, maar 26voor de waarheid.

9

Want wij verblijden ons wanneer wij 27zwak zijn en gij 28sterk zijt; en wij wensen ook dit, namelijk uw 29volmaking.

10

Daarom schrijf ik afwezend deze dingen, opdat ik niet, tegenwoordig zijnde, 30strengheid zou gebruiken naar de macht cdie mij de Heere gegeven heeft tot opbouwing en niet tot 31nederwerping.

Groet en zegenbede
11

Voorts, broeders, zijt blijde, wordt 32volmaakt, zijt getroost, dzijt eensgezind, eleeft in vrede; en de God der liefde en des vredes zal met u zijn.

12

fGroet elkander 33met een heiligen kus. U groeten al de heiligen.

13

34De genade van den Heere Jezus Christus en 35de liefde Gods en 36de gemeenschap des Heiligen Geestes zij met u allen. Amen.

-

De tweede zendbrief aan de Korinthiërs is geschreven van Filippi in Macedonië en gezonden door Titus en Lukas.

Einde van den tweeden zendbrief van PAULUS aan die van Korinthe.