HET *BOEK DERPSALMEN

PSALM 12.

David bidt om zijn en der kerke behoudenis van de algemene boosheid, ontrouw, valsheid, bedriegerij, trotsheid en tirannie, die bij de regenten in zwang was; en profeteert dat God hen richten en de vromen behouden zal, volgens de getrouwe beloften Zijns Woords.

Klacht over ontrouw
1

EEN psalm van David, voor den 1opperzangmeester, op de 2Scheminîth.

2

3Behoud, o HEERE, want ade 4goedertierene ontbreekt; want de 5getrouwen zijn weinig geworden onder de 6mensenkinderen.

3

Zij spreken 7valsheid, 8een ieder met zijn naaste, met 9vleiende lippen; zij spreken met een 10dubbel hart.

4

De HEERE 11snijde af alle vleiende lippen, de grootsprekende tong,

5

Die daar zeggen: Wij zullen de overhand hebben met onze tong; onze lippen zijn 12onze; wie is heer over ons?

6

Om de verwoesting der ellendigen, om het kermen der nooddruftigen, zal Ik nu opstaan, zegt de HEERE; Ik zal in behoudenis zetten dien hij 13aanblaast.

7

bDe 14redenen des HEEREN zijn 15reine redenen, 16zilver, 17gelouterd in een aarden smeltkroes, 18gezuiverd 19zevenmaal.

8

Gij, HEERE, zult 20hen bewaren; Gij 21zult hen behoeden voor dit 22geslacht, tot in eeuwigheid.

9

De goddelozen draven 23rondom, 24wanneer de 25snoodsten van des mensen kinderen verhoogd worden.