HET EERSTE BOEK VANMOZES,GENAAMDGENESIS

HOOFDSTUK 33.

Jakob, orde gesteld hebbende op het trekken van zijn vrouwen en kinderen, gaat zijn broeder tegemoet, vs. 1, enz. Die hem, mitsgaders zijn vrouwen en kinderen zeer wel bejegent, 4. En neemt na vriendelijke rede en wederrede Jakobs geschenken aan; scheiden alzo vredelijk van elkander, 8. Jakob komt te Sukkoth, en vandaar tot Sichem, alwaar hij zijn tenten opslaat, en den Heere een altaar bouwt, 17.

Ontmoeting met Ezau
1

EN Jakob hief zijn ogen op en zag, en zie, Ezau kwam, en vierhonderd mannen met hem. Toen verdeelde hij de kinderen onder Lea en onder Rachel en onder de twee dienstmaagden.

2

En hij stelde de dienstmaagden en haar kinderen vooraan, en Lea en haar kinderen meer achterwaarts, 1maar Rachel en Jozef de achterste.

3

En hij ging voorbij hun aangezicht heen; en 2hij boog zich 3zeven malen ter aarde, totdat hij bij zijn broeder kwam.

4

Toen liep Ezau hem tegemoet, en nam hem in den arm en viel hem aan den hals en 4kuste hem; en 5zij weenden.

5

Daarna hief hij zijn ogen op en zag die vrouwen en die kinderen, en zeide: Wie zijn dezen bij u? En hij zeide: De kinderen die God uw knecht genadiglijk verleend heeft.

6

Toen traden de dienstmaagden toe, zij en haar kinderen, en zij bogen zich neder.

7

En Lea trad ook toe met haar kinderen, en zij bogen zich neder; en daarna 6trad Jozef toe, en Rachel, en bogen zich neder.

8

En hij zeide: 7Voor wien is u al dit heir dat ik ontmoet heb? En hij zeide: Om genade te vinden in de ogen mijns heren.

9

Maar Ezau zeide: 8Ik heb veel; mijn broeder, 9het zij uwe wat gij hebt.

10

Toen zeide Jakob: Och neen, indien ik nu genade in uw ogen gevonden heb, zo neem mijn geschenk van mijn hand; daarom, omdat ik uw aangezicht gezien heb, 10als had ik Gods aangezicht gezien, 11en gij welgevallen aan mij genomen hebt.

11

Neem toch mijn 12zegen, die u toegebracht is, dewijl het God mij genadiglijk verleend heeft, en dewijl ik alles heb; en hij hield bij hem aan, zodat hij het nam.

12

En 13hij zeide: Laat ons reizen en voorttrekken; en ik zal 14voor u trekken.

13

Maar 15hij zeide tot hem: Mijn heer weet dat deze kinderen 16teder zijn, en dat ik 17zogende schapen en koeien 18bij mij heb; indien men ze maar één dag afdrijft, zo zal de gehele kudde sterven.

14

Mijn heer trekke toch voorbij, voor het aangezicht van zijn knecht; en ik zal mij op 19mijn gemak als leidsman voegen 20naar den gang van 21het werk, hetwelk voor mijn aangezicht is, en naar den gang dezer kinderen, totdat ik bij mijn heer te Seïr kome.

15

En Ezau zeide: Laat mij toch van dit volk dat met mij is, u bijstellen. En hij zeide: Waartoe dat? 22Laat mij genade vinden in mijns heren ogen.

16

Alzo keerde Ezau dien dag weder zijns weegs naar Seïr toe.

17

Maar Jakob reisde naar 23Sukkoth en bouwde een huis voor zich, en maakte hutten voor zijn vee; daarom noemde hij den naam dier plaats 24Sukkoth.

18

aEn Jakob kwam 25behouden tot de stad 26Sichem, welke is in het land Kanaän, als hij kwam van Paddan-Aram; en hij legerde zich 27in het gezicht der stad.

19

En hij kocht een deel des velds waarop hij zijn tent gespannen had, van de hand der zonen van 28Hemor, den vader van Sichem, voor honderd 29stukken geld.

20

En hij richtte aldaar 30een altaar op, en noemde het: 31De God Israëls is God.