HET VIERDE BOEK VANMOZES,GENAAMDNUMERI

HOOFDSTUK 5.

Een gebod Gods van alle onreine mensen uit het leger te doen, vs. 1, enz. Hetwelk wordt nagekomen, 4. Wetten van het wedergeven der dingen die men iemand ontvreemd had, 5. Van de geheiligde dingen, dat zij den priesters toekwamen, 9. Van de jaloersheid van een man over de eerbaarheid zijner vrouw, en de ceremoniën hierin te onderhouden, 11. Met verklaring van dezelve, 27. Het besluit van deze wet, 29.

Wegzending van de onreinen
1

EN de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

2

Gebied den kinderen Israëls, dat zij uit het leger awegzenden alle melaatsen en alle b1vloeienden, en allen die onrein zijn van ceen 2dode.

3

3Van den man tot de vrouw toe zult gij hen wegzenden, tot buiten het leger zult gij hen wegzenden; opdat 4zij niet 5verontreinigen 6hun legers, 7in welker midden Ik woon.

4

En de kinderen Israëls deden alzo, en zonden hen tot buiten het leger; gelijk de HEERE tot Mozes gesproken had, alzo deden de kinderen Israëls.

Wetten over de ontvreemding
5

Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

6

dSpreek tot de kinderen Israëls: Wanneer een man of vrouw iets van enige 8menselijke zonden gedaan zullen hebben, overtreden hebbende door overtreding tegen den HEERE, zo is diezelve 9ziel schuldig.

7

En zij zullen hun zonde welke zij gedaan hebben, 10belijden; daarna zal 11hij zijn 12schuld wederuitkeren, enaar de hoofdsom daarvan, en 13derzelver vijfde deel zal hij daarboven toedoen, en zal het dien geven aan denwelken hij zich verschuldigd heeft.

8

Maar zo 14die man geen losser zal hebben, om de schuld aan hem wederuit te keren, zal die schuld dewelke den HEERE wederuitgekeerd wordt, des priesters zijn; behalve de ram der verzoening, met denwelken hij voor hem verzoening doen zal.

9

Desgelijks zal alle 15heffing van alle geheiligde dingen der kinderen Israëls, dewelke zij tot den priester brengen, 16zijne zijn.

10

fEn eens ieders geheiligde dingen zullen zijne zijn; wat iemand den priester zal gegeven hebben, zal zijne zijn.

De wet op de ijverzucht
11

Wijders sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

12

Spreek tot de kinderen Israëls en zeg tot hen: Wanneer van 17iemand zijn huisvrouw 18zal afgeweken zijn en door overtreding tegen hem overtreden zal hebben,

13

Dat een man bij haar 19door bijligging des zaads zal gelegen hebben, en het voor de ogen haars mans zal verborgen zijn, en zij zich verheeld zal hebben, zijnde nochtans 20onrein geworden; en geen getuige tegen haar is, en zij niet betrapt is;

14

En 21de ijvergeest over hem gekomen is, dat hij ijvert over zijn huisvrouw, dewijl zij onrein geworden is; of dat over hem de ijvergeest gekomen is, dat hij over zijn huisvrouw ijvert, hoewel zij niet onrein geworden is;

15

Dan zal die man zijn huisvrouw tot den priester brengen en zal haar offerande voor haar medebrengen, een tiende deel van 22een efa gerstemeel; hij zal 23geen olie daarop gieten, noch wierook daarop leggen, dewijl het een spijsoffer der ijveringen is, een spijsoffer der gedachtenis, dat de ongerechtigheid in gedachtenis brengt.

16

En de priester zal haar doen naderen, hij zal haar stellen 24voor het aangezicht des HEEREN.

17

En de priester zal 25heilig water in een aarden vat nemen; en van het stof hetwelk op den vloer des tabernakels is, zal de priester nemen en in het water doen.

18

Daarna zal de priester de vrouw voor het aangezicht des HEEREN stellen en 26zal het hoofd van de vrouw ontbloten, en zal het spijsoffer der gedachtenis op haar handen leggen, hetwelk het spijsoffer der ijveringen is; en in de hand des priesters zal dat 27bitter water zijn, hetwelk 28den vloek medebrengt.

19

En de priester zal haar 29beëdigen en zal tot die vrouw zeggen: Indien niemand bij u gelegen heeft, en indien gij 30onder uw man zijnde, niet afgeweken zijt tot onreinheid, zijt 31vrij van dit bitter water, hetwelk den vloek medebrengt;

20

Maar zo gij onder uw man zijnde, afgeweken zijt en zo gij onrein geworden zijt, dat een man 32bij u gelegen heeft, behalve uw man:

21

(Dan zal de priester die vrouw met den eed 33der vervloeking beëdigen en de priester zal tot de vrouw zeggen:) De HEERE zette u 34tot een vloek en tot een eed in het midden uws volks, mits dat de HEERE uw heup vervallende en uw buik zwellende make;

22

Dat ditzelve water, hetwelk de vervloeking medebrengt, in uw ingewand inga om den buik te doen zwellen en de heup te doen vervallen. Dan zal die vrouw zeggen: 35Amen, amen.

23

Daarna zal de priester deze zelve vloeken in een 36cedeltje schrijven, en hij zal het met het bitter water 37uitdoen.

24

En hij zal die vrouw dat bitter water, hetwelk de vervloeking medebrengt, te drinken geven, dat het water, hetwelk 38de vervloeking medebrengt, in haar 39tot bitterheden inga.

25

En de priester zal uit de hand van die vrouw het spijsoffer der ijveringen nemen, en hij zal datzelve spijsoffer voor het aangezicht des HEEREN bewegen en zal dat op het altaar offeren.

26

De priester zal ook van dat spijsoffer, 40deszelfs gedenkoffer, een handvol grijpen en zal het op het altaar aansteken; en daarna zal hij dat water die vrouw te drinken geven.

27

Als hij haar nu dat water zal te drinken gegeven hebben, het zal geschieden, indien zij onrein geworden is en tegen haar man door overtreding zal overtreden hebben, dat 41het water, hetwelk vervloeking medebrengt, tot bitterheid in haar ingaan zal, en haar buik zwellen en haar heup vervallen zal; en die vrouw zal in het midden haars volks 42tot een vloek zijn.

28

Doch indien de vrouw niet onrein geworden is, maar rein is, zo zal zij vrij zijn en zal 43met zaad bezadigd worden.

29

Dat is de wet der ijveringen; als een vrouw onder haar man zijnde, zal afgeweken en onrein geworden zijn;

30

Of als over een man de ijvergeest zal gekomen zijn en hij over zijn huisvrouw zal geijverd hebben, dat hij de vrouw 44voor het aangezicht des HEEREN stelle, en de priester aan haar deze ganse wet volbrenge.

31

En de man zal van de ongerechtigheid 45onschuldig zijn; maar diezelve vrouw zal haar 46ongerechtigheid dragen.