1DE HANDELINGENDER HEILIGE APOSTELEN,BESCHREVEN DOOR 2LUKAS

HOOFDSTUK 15.

1 In de gemeente van Antiochië ontstaat verschil, aangaande de onderhouding der besnijdenis en der wet van Mozes. 2 Waarover Paulus en Barnabas naar Jeruzalem gezonden worden. 3 Waar zij de bekering der heidenen en de toedracht der zaak verhalen. 6 De apostelen en de ouderlingen komen tezamen om hiervan te handelen. 7 Petrus verklaart in dezelve vergadering, dat de heidenen met het juk der wet niet behoren bezwaard te worden. 13 Hetzelve stemt Jakobus toe, en bevestigt het uit de Heilige Schrift. 19 En besluit dat men hun niet meer behoort op te leggen dan de onderhouding van vier nodige dingen. 22 Hetwelk bij de ganse vergadering goedgevonden zijnde, aan de gemeenten geschreven, en benevens Paulus en Barnabas, door Barsabas en Silas overgezonden en bekendgemaakt wordt. 31 Die hetzelve met blijdschap aangenomen hebben. 36 Paulus en Barnabas, om Johannes Markus' wil in twisting geraakt zijnde, scheiden van elkander. 39 Barnabas en Markus naar Cyprus. 40 En Paulus met Silas naar Syrië en Cilicië.

Onenigheid over de heidenzending
1

EN 1sommigen, die afgekomen waren 2van Judéa, leerden de broederen, zeggende: aIndien 3gij niet besneden wordt bnaar de wijze van Mozes, zo kunt gij niet zalig worden.

2

Als er dan geen kleine 4wederstand en 5twisting geschiedde bij 6Paulus en Bárnabas tegen hen, zo hebben 7zij geordineerd cdat Paulus en Bárnabas en enige anderen uit hen zouden opgaan 8tot de apostelen en ouderlingen naar Jeruzalem over deze 9vraag.

3

Zij dan 10van de gemeente uitgeleid zijnde, reisden door Fenícië en Samaría, verhalende 11de bekering der heidenen, en 12deden al den broederen grote blijdschap aan.

4

En te Jeruzalem gekomen zijnde, werden zij ontvangen van de gemeente en de apostelen en de ouderlingen; en zij verkondigden wat grote dingen God 13met hen gedaan had.

5

Maar, 14zeiden zij, er zijn sommigen opgestaan van die van de 15sekte der farizeeën, 16die gelovig zijn geworden, zeggende dat men 17hen moet besnijden en gebieden 18de wet van Mozes te onderhouden.

De vergadering te Jeruzalem
6

En de apostelen en de ouderlingen 19vergaderden tezamen 20om op deze zaak te letten.

7

En als daarover grote 21twisting geschiedde, stond Petrus op en zeide tot hen: dMannen broeders, gij weet dat God van 22overlangen tijd onder ons mij verkoren heeft, dat de heidenen door mijn mond het woord des Evangelies zouden horen, en geloven.

8

En God, ede Kenner der harten, heeft hun 23getuigenis gegeven, hun gevende 24den Heiligen Geest gelijk als ook ons;

9

fEn heeft 25geen onderscheid gemaakt tussen ons en hen, gereinigd hebbende hun harten door het geloof.

10

Nu dan, wat verzoekt gij God, gom 26een juk op den hals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaders, noch wij hebben kunnen 27dragen?

11

hMaar wij geloven door 28de genade des Heeren Jezus Christus zalig te worden, op zulke wijze als ook 29zij.

12

En al 30de menigte 31zweeg stil, en zij hoorden Bárnabas en Paulus verhalen wat grote tekenen en wonderen God door hen onder de heidenen gedaan had.

13

En nadat 32dezen zwegen, 33antwoordde 34Jakobus, zeggende: Mannen broeders, hoort mij.

14

35Simeon heeft verhaald hoe God 36eerst de heidenen heeft 37bezocht, om uit hen een volk aan te nemen 38voor Zijn Naam.

15

En hiermede stemmen overeen de woorden der profeten, gelijk geschreven is:

16

iNa dezen zal Ik wederkeren en weder opbouwen 39den tabernakel Davids, die vervallen is, en hetgeen daarvan 40verbroken is, weder opbouwen, en Ik zal denzelven wederoprichten,

17

Opdat de 41overblijvende mensen den Heere zoeken, en al de heidenen over welke Mijn Naam 42aangeroepen is, spreekt de Heere, Die dit alles doet.

18

Gode zijn al Zijn werken 43van eeuwigheid bekend.

19

Daarom 44oordeel ik dat men degenen die uit de heidenen zich tot God bekeren, niet 45beroere,

20

Maar hun zal aanschrijven dat zij zich onthouden kvan de dingen 46die door de afgoden besmet zijn, en lvan 47hoererij, en van het 48verstikte, en mvan 49bloed.

21

Want Mozes heeft er van oude 50tijden in elke stad die hem prediken, en 51hij wordt op elken sabbat in de synagogen gelezen.

Het antwoord aan Antiochíë
22

Toen heeft het den apostelen en den ouderlingen 52met de gehele gemeente goedgedacht, enige mannen uit zich te verkiezen en met Paulus en Bárnabas te zenden naar Antiochíë: namelijk Judas, die toegenaamd wordt Bársabas, en 53Silas, mannen die 54voorgangers waren onder de broeders.

23

En zij schreven 55door hen dit navolgende: De apostelen en de ouderlingen en 56de broeders wensen den broederen uit de heidenen, die in Antiochíë en Syrië en Cilícië zijn, 57zaligheid.

24

Nademaal wij gehoord hebben ndat sommigen, 58die van ons uitgegaan zijn, u met woorden ontroerd hebben en uw zielen 59wankelend gemaakt, zeggende dat gij moet besneden worden en de 60wet onderhouden, welken wij dat 61niet bevolen hadden,

25

Zo heeft het ons, eendrachtelijk tezamen zijnde, goedgedacht enige mannen te verkiezen en tot u te zenden, met onze geliefden, Bárnabas en Paulus,

26

Mensen odie hun zielen 62overgegeven hebben voor den Naam onzes Heeren Jezus Christus.

27

Wij hebben dan Judas en Silas gezonden, die ook 63met den mond hetzelve zullen verkondigen.

28

Want het heeft den Heiligen Geest en 64ons goedgedacht, ulieden 65geen meerderen last op te leggen dan deze 66noodzakelijke dingen:

29

Namelijk pdat gij u onthoudt van 67hetgeen den afgoden geofferd is, en qvan bloed, en van het verstikte, en van rhoererij; van welke dingen, indien gij uzelven wacht, zo zult gij 68wel doen. 69Vaart wel.

30

Dezen dan hun afscheid ontvangen hebbende, kwamen te Antiochíë; en 70de menigte vergaderd hebbende, gaven zij den brief over.

31

En zij, dien gelezen hebbende, verblijdden zich over de 71vertroosting.

32

Judas nu en Silas, die ook zelven 72profeten waren, 73vermaanden de broeders met vele woorden, en 74versterkten hen.

33

En als zij daar 75een tijdlang 76vertoefd hadden, lieten hen de broeders wederom gaan 77met vrede, 78tot de apostelen.

34

Maar het dacht Silas goed aldaar te blijven.

35

En Paulus en Bárnabas 79onthielden zich te Antiochíë, lerende en 80verkondigende met nog vele anderen het Woord des Heeren.

Paulus en Bárnabas scheiden
36

En na enige dagen zeide Paulus tot Bárnabas: Laat ons nu wederkeren, en bezoeken onze broeders in elke stad in welke wij het Woord des Heeren verkondigd hebben, 81hoe zij het hebben.

37

En Bárnabas 82ried dat zij Johannes, die genaamd is sMarkus, zouden medenemen.

38

Maar Paulus 83achtte billijk dat men dien niet zou medenemen, die van Pamfylië af van hen was 84afgeweken, en met hen niet was gegaan tot 85dat werk.

39

Er ontstond dan een 86verbittering, alzo dat zij van elkander gescheiden zijn, en dat Bárnabas Markus medenam en naar Cyprus afscheepte.

40

Maar Paulus 87verkoos Silas, en reisde heen, der genade Gods van de broederen 88bevolen zijnde.

41

En hij doorreisde Syrië en Cilícië, versterkende 89de gemeenten.