HET EERSTE BOEK VANMOZES,GENAAMDGENESIS

HOOFDSTUK 30.

Rachel, onverduldig zijnde over haar onvruchtbaarheid, geeft Jakob haar dienstmaagd Bilha, die hem baart Dan en Naftali, vs. 1, enz. Insgelijks Lea, stilstaande van baren, geeft Jakob haar dienstmaagd Zilpa, die hem baart Gad en Aser, 9, enz. Ruben vindt dudaïm, en Lea zelve wordt weder bevrucht, en baart Issaschar, Zebulon, en een dochter Dina, 14. Ten laatste baart ook Rachel Jozef, 22. Als nu Jakob begeerde met zijn huisgezin naar zijn land te trekken, houdt Laban hem met een nieuw beding van loon, 25. Waardoor Jakob, tegen Labans vermoeden, zeer rijkelijk van God wordt gezegend, 37.

Rachel benijdt Lea
1

ALS nu Rachel zag dat zij Jakob niet baarde, zo 1benijdde Rachel haar zuster; en zij zeide tot Jakob: Geef mij kinderen, of indien niet, 2zo ben ik dood.

2

Toen ontstak Jakobs toorn tegen Rachel, en hij zeide: 3Ben ik dan in plaats van God, Die de 4vrucht des buiks van u geweerd heeft?

3

5En zij zeide: Zie, daar is mijn dienstmaagd Bilha, ga tot haar in; dat zij 6op mijn knieën bare, en ik ook uit haar 7gebouwd worde.

4

Zo gaf zij hem haar dienstmaagd Bilha 8tot een vrouw; en Jakob ging tot haar in.

5

En Bilha werd zwanger en baarde Jakob een zoon.

6

Toen zeide Rachel: 9God heeft mij gericht, en ook mijn stem verhoord, en heeft mij een zoon gegeven. Daarom noemde zij zijn naam 10Dan.

7

En Bilha, Rachels dienstmaagd, werd weder bevrucht en baarde Jakob den tweeden zoon.

8

Toen zeide Rachel: Ik heb 11worstelingen Gods met mijn zuster geworsteld, ook heb ik de overhand gehad. En zij noemde zijn naam 12Naftali.

9

Toen nu Lea zag dat zij ophield van baren, 13nam zij ook haar dienstmaagd Zilpa, en gaf die aan Jakob tot een vrouw.

10

En Zilpa, Lea's dienstmaagd, baarde Jakob een zoon.

11

Toen zeide Lea: 14Er komt een hoop. En zij noemde zijn naam 15Gad.

12

Daarna baarde Zilpa, Lea's dienstmaagd, Jakob den tweeden zoon.

13

Toen zeide Lea: 16Tot mijn geluk, want de 17dochters zullen mij gelukkig achten. En zij noemde zijn naam 18Aser.

14

En Ruben ging in de dagen van den tarweoogst, en hij vond 19dûdaïm in het veld, en hij bracht ze tot zijn moeder Lea. Toen zeide Rachel tot Lea: Geef mij toch van uws zoons dûdaïm.

15

En zij zeide tot haar: Is het weinig dat gij mijn man genomen hebt, dat gij ook mijns zoons dûdaïm nemen zult? Toen zeide Rachel: Daarom zal hij dezen nacht voor uws zoons dûdaïm bij u liggen.

16

Als nu Jakob des avonds uit het veld kwam, ging Lea uit hem tegemoet en zeide: Gij zult tot mij inkomen; want ik heb u 20om loon zekerlijk gehuurd voor mijns zoons dûdaïm; en hij lag denzelven nacht bij haar.

17

En God 21verhoorde Lea; en zij werd bevrucht en baarde Jakob den vijfden zoon.

18

Toen zeide Lea: God 22heeft mijn loon gegeven, nadat ik mijn dienstmaagd aan mijn man gegeven heb. En zij noemde zijn naam 23Issaschar.

19

En Lea werd wederom bevrucht en zij baarde Jakob den zesden zoon.

20

En Lea zeide: God heeft mij, mij heeft Hij24begiftigd met een goede gift; ditmaal zal mijn man mij bijwonen, want ik heb hem zes zonen gebaard. En zij noemde zijn naam 25Zebulon.

21

En zij baarde daarna een dochter; en zij noemde haar naam 26Dina.

22

27God dacht ook aan Rachel; en God verhoorde haar en 28opende haar baarmoeder.

23

En zij werd bevrucht en baarde een zoon; en zij zeide: God heeft mijn 29smaadheid 30weggenomen.

24

En zij noemde zijn naam 31Jozef, zeggende: De HEERE voege mij een anderen zoon daartoe.

Jakobs kudde
25

En het geschiedde als Rachel Jozef gebaard had, dat 32Jakob tot Laban zeide: Laat mij vertrekken, dat ik ga tot mijn plaats en naar mijn land.

26

Geef mijn vrouwen en mijn kinderen, 33om dewelke ik u gediend heb, dat ik vertrek; want gij weet mijn dienst, 34dien ik u gediend heb.

27

Toen zeide Laban tot hem: Zo ik nu 35genade gevonden heb in uw ogen; ik heb waargenomen, dat de HEERE mij om uwentwil gezegend heeft.

28

Hij zeide dan: Noem 36mij uitdrukkelijk uw loon, 37dat ik geven zal.

29

Toen zeide hij tot hem: Gij weet 38hoe ik u gediend heb, en hoe uw vee bij mij geweest is.

30

Want het weinige dat gij 39vóór mij gehad hebt, dat is tot een menigte 40uitgebroken; en de HEERE heeft u gezegend 41bij mijn voet; nu dan, wanneer zal ik ook 42werken voor mijn huis?

31

En hij zeide: Wat zal ik u geven? Toen zeide Jakob: Gij zult mij niet 43met al geven, indien gij mij deze zaak doen zult; 44ik zal wederom uw kudde weiden en bewaren.

32

Ik zal heden door uw ganse kudde gaan, daarvan afzonderende al het 45gespikkelde en 46geplekte 47vee, en al het 48bruine vee onder de lammeren, en het geplekte en gespikkelde onder de geiten; 49en zulks zal mijn loon zijn.

33

50Zo zal mijn gerechtigheid op den dag van 51morgen met mij betuigen, 52als gij komen zult over mijn loon, voor uw aangezicht; al wat niet gespikkeld en geplekt is onder de geiten en bruin onder de lammeren, dat zij bij mij gestolen.

34

Toen zeide Laban: Zie, och ja, het zij naar uw woord.

35

En 53hij zonderde af ten zelven dage 54de gesprenkelde en geplekte bokken en al de gespikkelde en geplekte geiten, alles waar wit aan was, en al het bruine onder de lammeren; en hij gaf ze in de hand zijner zonen.

36

En hij stelde 55een weg van drie dagen tussen zich en tussen Jakob; en Jakob weidde de overige kudde van Laban.

37

56Toen nam zich Jakob 57roeden van 58groen populierenhout en van hazelaar en van kastanje; en hij schilde daarin witte strepen, ontblotende het wit hetwelk aan die roeden was.

38

En hij legde deze roeden die hij geschild had, in de goten en in de drinkbakken van het water, waar de kudde kwam drinken, tegenover de kudde; en 59zij werden verhit, als zij kwamen om te drinken.

39

Als dan de kudde verhit werd bij de roeden, zo lammerde de kudde 60gesprenkelde, gespikkelde en geplekte.

40

Toen scheidde Jakob 61de lammeren, en hij wendde het gezicht der kudde op het gesprenkelde en al het bruine onder Labans kudde; en 62hij stelde zijn kudden alleen, en hij zette ze niet bij de kudde van Laban.

41

En het geschiedde, telkens als de kudde 63der vroegelingen verhit werd, zo stelde Jakob de roeden voor de ogen der kudde in de goten, opdat zij hittig werden bij de roeden.

42

Maar als de kudde 64spade hittig werd, zo stelde hij ze niet; zodat de spadelingen Laban en de vroegelingen Jakob toekwamen.

43

En die man 65brak 66gans zeer uit in menigte, en hij had vele kudden en dienstmaagden en dienstknechten en kemels en ezels.