HET EERSTE BOEK DERKRONIEKEN

HOOFDSTUK 22.

David bestelt voorraad tot den bouw des tempels, vs. 2, enz. Hij vermaant Salomo dat hij, den Heere vrezende, naarstig zijn zou in het opbouwen deszelven, 6. En hij gebiedt den vorsten, dat zij Salomo hierin getrouwelijk de hand bieden zouden, 17.

Voorbereiding voor den tempelbouw
1

EN David zeide: 1Hier zal het huis Gods des HEEREN zijn, en hier zal het altaar des brandoffers voor Israël zijn.

2

En David zeide dat men vergaderen zou de 2vreemdelingen die in het land Israëls waren; en hij bestelde steenhouwers om uit te houwen stenen 3die men behouwen zou om het huis Gods te bouwen.

3

En David bereidde ijzer in menigte, tot nagelen aan de deuren der poorten en tot de samenvoegingen; ook koper in menigte, 4zonder gewicht;

4

En cederhout zonder getal; want de Sidoniërs en de Tyriërs brachten tot David cederhout in menigte.

5

Want David zeide: Mijn zoon Sálomo is 5een jongeling en teder; en het huis dat men den HEERE bouwen zal, zal men ten hoogste groot maken, 6tot een naam en tot heerlijkheid in alle landen; ik zal hem nu voorraad bereiden. Alzo bereidde David voorraad in menigte vóór zijn dood.

6

Toen riep hij zijn zoon Sálomo en gebood hem den HEERE, den God Israëls, een huis te bouwen.

7

En David zeide tot Sálomo: Mijn zoon, wat mij aangaat, 7het was in mijn hart den Naam des HEEREN mijns Gods een huis te bouwen;

8

Doch het woord des HEEREN 8geschiedde tot mij, zeggende: 9Gij hebt bloed in menigte vergoten, want gij hebt grote krijgen gevoerd; gij zult Mijn Naam geen huis bouwen, adewijl gij veel bloed op de aarde voor Mijn aangezicht vergoten hebt.

9

Zie, de zoon die u geboren zal worden, die zal een man der rust zijn, want Ik zal hem rust geven van al zijn vijanden rondom heen; want zijn naam zal 10Sálomo zijn, en Ik zal vrede en stilte over Israël geven in zijn dagen.

10

bDie zal Mijn Naam een huis bouwen, en die zal Mij tot een zoon zijn en Ik hem tot een Vader; en Ik zal den troon zijns rijks over Israël bevestigen 11tot in eeuwigheid.

11

Nu, mijn zoon, 12de HEERE zal met u zijn; en gij zult voorspoedig zijn en zult het huis des HEEREN uws Gods bouwen, gelijk als Hij van u gesproken heeft.

12

Alleenlijk de HEERE geve u 13kloekheid en verstand, en geve u bevel over Israël, en dat om te onderhouden de wet des HEEREN uws Gods.

13

Dan zult gij voorspoedig zijn, als gij waarnemen zult te doen de inzettingen en de rechten, die de HEERE Mozes geboden heeft over Israël. cZijt sterk en heb goeden moed, vrees niet en wees niet verslagen.

14

Ziedaar, ik heb 14in mijn verdrukking voor het huis des HEEREN bereid honderdduizend 15talenten goud en duizend maal duizend talenten zilver; en des kopers en des ijzers is geen gewicht, want het is er in menigte. Ik heb ook hout en stenen bereid; doe gij er nog meer bij.

15

Ook zijn er bij u in menigte 16die het werk kunnen doen, houwers, en werkmeesters in steen en hout, en allerlei wijze lieden in allerlei werk.

16

Des gouds, des zilvers en des kopers en des ijzers is geen getal; maak u op en doe het, en 17de HEERE zal met u zijn.

17

Ook gebood David aan alle vorsten van Israël, dat zij zijn zoon Sálomo helpen zouden, zeggende:

18

Is niet de HEERE uw God met ulieden, en heeft u rust gegeven rondom heen? Want Hij heeft de inwoners des lands in mijn hand gegeven, en dit land is onderworpen geworden 18voor het aangezicht des HEEREN en voor het aangezicht Zijns volks.

19

Zo begeeft dan nu uw hart en uw ziel om te zoeken den HEERE uw God; en maakt u op en bouwt het heiligdom Gods des HEEREN, dat men de ark des verbonds des HEEREN en de heilige vaten Gods in dit huis brenge, dat den Naam des HEEREN zal gebouwd worden.