HET VIJFDE BOEK VANMOZES,GENAAMDDEUTERONOMIUM

HOOFDSTUK 23.

Wie in de vergadering des HEEREN ganselijk niet mochten komen en wie daarentegen enigszins, vs. 1, enz. Hoe en waarom het veldleger rein moest gehouden worden, 9. Hoe men handelen zou met een knecht die zijn heer ontvlucht was, 15. Van hoeren en schandjongens, 17. Van woeker, 19. Van geloften, 21. Van het plukken der druiven en aren, 24.

Wie niet in de vergadering des HEEREN mogen komen
1

DIE door plettering verwond of uitgesneden is aan de mannelijkheid, zal 1in de vergadering des HEEREN niet komen.

2

2Geen bastaard zal in de vergadering des HEEREN komen; zelfs zijn tiende geslacht zal in de vergadering des HEEREN niet komen.

3

Geen aAmmoniet noch Moabiet zal in de vergadering des HEEREN komen; zelfs hun tiende geslacht zal in de vergadering des HEEREN niet komen tot in eeuwigheid;

4

Ter oorzake dat zij ulieden op den weg niet tegengekomen zijn 3met brood en met water, als gij uit Egypte uittoogt; en omdat 4hij tegen u gehuurd heeft bBíleam, den zoon van Beor, van Pethor uit 5Mesopotámië, om u te vloeken.

b Num. 22:3, 4, 5, enz.
5

Doch de HEERE uw God heeft naar Bíleam niet willen horen, maar de HEERE uw God heeft u den vloek in een zegen veranderd, omdat de HEERE uw God u liefhad.

6

Gij zult hun 6vrede en hun best niet zoeken, al uw dagen in eeuwigheid.

7

Den 7Edomiet zult gij voor geen gruwel houden, want hij is 8uw broeder; den Egyptenaar zult gij voor geen gruwel houden, want gij zijt een vreemdeling geweest in zijn land.

8

Aangaande de kinderen die hun zullen geboren worden in het derde geslacht, elk van die zal in de vergadering des HEEREN 9komen.

Reinheid van het veldleger
9

Wanneer het leger uittrekt tegen uw vijanden, zo zult gij u wachten voor alle kwade zaak.

10

Wanneer iemand onder u is die niet rein is, door enig 10toeval des nachts, die zal tot buiten het leger uitgaan; hij zal tot binnen het leger niet komen.

11

Maar het zal geschieden, dat hij zich tegen het naken van den avond met water zal baden; en als de zon ondergegaan is, zal hij tot binnen het leger komen.

12

Gij zult ook een 11plaats hebben buiten het leger, en daarheen zult gij uitgaan naar buiten.

13

En gij zult een schopje hebben 12nevens uw gereedschap; en het zal geschieden als gij buiten 13gezeten hebt, dan zult gij daarmede graven en u omkeren, en bedekken wat van u uitgegaan is.

14

Want de HEERE uw God 14wandelt in het midden van uw leger, om u te verlossen en om uw vijanden 15voor uw aangezicht te geven; daarom zal uw leger heilig zijn, opdat 16Hij 17niets schandelijks onder u zie en achterwaarts van u afkere.

Verschillende voorschriften
15

Gij zult een knecht aan zijn heer niet overleveren, die van 18zijn heer tot u ontkomen zal zijn.

16

Hij zal bij u 19blijven in het midden van u, in de plaats die hij zal verkiezen, in een van uw 20poorten waar het goed voor hem is; gij zult hem niet verdrukken.

17

Er zal geen hoer zijn onder de dochteren Israëls; en er zal geen 21schandjongen zijn onder de zonen Israëls.

18

Gij zult geen hoerenloon noch 22hondenprijs in het huis des HEEREN uws Gods brengen tot enige gelofte; want ook die beide zijn den HEERE uw God een gruwel.

19

Gij zult aan uw broeder niet c23woekeren met woeker van geld, met woeker van spijze, met woeker van enig ding waarmede men woekert.

20

Aan den vreemde 24zult gij woekeren, maar aan uw broeder zult gij niet woekeren; opdat u de HEERE uw God zegene 25in alles waaraan gij uw hand slaat, in het land waar gij naartoe gaat om dat te erven.

21

Wanneer gij den HEERE uw God deen gelofte zult beloofd hebben, gij zult niet vertrekken die te betalen; want de HEERE uw God zal ze 26zekerlijk van u eisen, en 27zonde zou in u zijn.

22

Maar als gij nalaat te beloven, zo zal het geen zonde in u zijn.

23

28Wat uit uw lippen gaat, zult gij houden en doen; gelijk als gij den HEERE uw God een vrijwillig offer beloofd hebt, dat gij met uw mond gesproken hebt.

24

Wanneer gij gaan zult in uws naasten wijngaard, zo zult gij druiven 29eten 30naar uw lust tot uw verzadiging; maar in uw vat zult gij niets doen.

25

Wanneer gij zult gaan in uws naasten estaande koren, zo zult gij de 31aren met uw hand afplukken; maar de sikkel zult gij aan uws naasten staande koren niet 32bewegen.