DE PROFEETEZECHIËL

HOOFDSTUK 47.

Het gezicht van de heilige wateren, die uit den nieuwen tempel vloten, vs. 1, enz. Beschrijving van de landpalen van het nieuwe erfland, 13. Uit te delen voor Israël en de vreemdelingen, 21.

De wateren uit het heiligdom
1

DAARNA bracht Hij mij weder tot de deur des 1huizes, en zie, er vloten 2wateren uit, van onder den dorpel des huizes naar het oosten, want het 3voorste deel des huizes was in het oosten; en de wateren daalden af van onderen, uit de rechterzijde des huizes, 4van het zuiden des 5altaars.

2

En Hij bracht mij uit door den weg van de noorderpoort, en voerde mij om door den weg van buiten tot de buitenpoort, den weg die naar het oosten ziet; en zie, de wateren sprongen uit de rechterzijde.

3

Als nu die Man naar het oosten uitging, zo was er een meetsnoer in Zijn hand; en Hij mat duizend ellen en deed mij door de wateren doorgaan, en de wateren 6raakten tot aan de enkels.

4

Toen mat Hij nog duizend ellen en deed mij door de wateren doorgaan, en de wateren raakten tot aan de knieën; en Hij mat nog duizend en deed mij doorgaan, en de wateren raakten tot aan de lendenen.

5

Voorts mat Hij nog duizend, en het was een beek waar ik niet kon doorgaan; want de wateren waren hoog, 7wateren waar men door zwemmen moest, een beek waar men niet kon doorgaan.

6

En Hij zeide tot mij: Hebt gij het 8gezien, mensenkind? Toen voerde Hij mij en bracht mij weder tot den 9oever der beek.

7

Als ik wederkeerde, zie, zo was er aan den oever der beek zeer veel a10geboomte, van deze en van gene zijde.

8

Toen zeide Hij tot mij: Deze wateren vlieten uit naar het 11voorste Galiléa en dalen af in het 12vlakke veld; daarna komen zij in de 13zee; in de zee uitgebracht zijnde, zo worden de 14wateren gezond.

9

Ja, het zal geschieden dat alle 15levende ziel die er 16wemelt, overal waarheen 17een der twee beken zal komen, leven zal, en daar zal zeer 18veel vis zijn, omdat deze wateren daarheen zullen gekomen zijn; en 19zij zullen gezond worden, en het zal leven, alles waarheen deze beek zal komen.

10

Ook zal het geschieden dat er 20vissers aan 21dezelve zullen staan, van 22Engédi af tot 23En-eglaïm toe; daar zullen plaatsen zijn tot uitspreiding der 24netten; 25hun vis zal naar zijn aard wezen als de vis van de 26Grote Zee, zeer 27menigvuldig.

11

Doch 28haar modderige plaatsen en haar moerassen 29zullen niet gezond worden, zij zijn tot 30zout overgegeven.

12

Aan de beek nu, aan haar 31oever, zal van deze en van gene zijde opgaan 32allerlei spijsgeboomte, welks 33blad niet zal afvallen, noch de vrucht daarvan 34vergaan; 35in zijn maanden zal het 36nieuwe vruchten voortbrengen; want zijn 37wateren, die vlieten uit het 38heiligdom; en zijn vrucht zal zijn tot spijze en zijn blad tot b39heling.

De grenzen van het land
13

Alzo zegt de Heere HEERE: 40Dit zal de landpale zijn naar dewelke gij het land ten erve zult nemen, naar de twaalf stammen Israëls; Jozef 41twee42snoeren.

14

En gij zult dat erven, 43de een zowel als de ander, cover hetwelk Ik Mijn 44hand heb opgeheven, dat Ik het uw vaderen zou geven; en ditzelve land zal ulieden in erfenis 45vallen.

15

Dit nu zal de landpale des lands zijn: aan den noorderhoek, van de 46Grote Zee af, den weg van Hethlon, waar men komt te Zedad;

16

Hamath, Berótha, Sibráïm, dat tussen de landpale van Damascus en tussen de landpale van Hamath is; 47Hazer Hattíchon, dat aan de landpale van 48Havran is.

17

Alzo zal de landpale van de zee af zijn, Hazar-Enon, de landpale van Damascus, en het noorden noordwaarts, en de landpale van Hamath; en dat zal de noorderhoek zijn.

18

Den oosterhoek nu zult gijlieden meten van tussen Havran, en van tussen Damascus, en van tussen Gilead, en van tussen het land Israëls 49aan de Jordaan, van de landpale af tot de 50oostzee toe; en dat zal de oosterhoek zijn.

19

En den zuiderhoek 51zuidwaarts, van 52Thamar af tot aan het twistwater van Kades, voorts naar de 53beek heen, tot aan de 54Grote Zee; en dat zal de zuiderhoek zuidwaarts zijn.

20

En den 55westerhoek, de Grote Zee, van de landpale af tot waar men recht tegenover Hamath komt; dat zal de westerhoek zijn.

21

Ditzelve land nu zult gijlieden uitdelen naar de stammen Israëls.

22

Maar het zal geschieden dat gij 56hetzelve zult doen 57vallen in erfenis voor ulieden en voor de 58vreemdelingen die in het midden van u verkeren, die kinderen in het midden van u zullen gewonnen hebben; en zij zullen ulieden zijn als een inboorling onder de kinderen Israëls; zij zullen met ulieden in erfenis 59vallen, in het midden der stammen Israëls.

23

Ook zal het geschieden, in den stam bij denwelken de vreemdeling verkeert, 60aldaar zult gij hem zijn erfenis geven, spreekt de Heere HEERE.