DE PROFEETJEREMÍA

HOOFDSTUK 49.

Profetie tegen de Ammonieten, vs. 1, enz. Edomieten, 7. Damascus en de Syriërs, 23. Kedar en Hazor, 28. En tegen Elam, met een bijgevoegde belofte, 34.

Profetie tegen Ammon
1

TEGEN 1 de kinderen Ammons zegt de HEERE alzo: Heeft dan Israël geen 2kinderen? Heeft hij geen erfgenaam? Waarom is dan 3Malcam erfgenaam van 4aGad en waarom woont 5zijn volk in 6deszelfs steden?

2

Daarom, zie, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik over b7Rabba der kinderen Ammons een 8krijgsgeschrei zal doen horen, en zij zal tot een 9woesten hoop worden en haar 10onderhorige plaatsen zullen met vuur aangestoken worden; en Israël zal 11erven degenen die hem geërfd hadden, zegt de HEERE.

3

Huil, o 12Hesbon, want 13Ai is verstoord; krijt, gij 14dochteren van Rabba, gordt 15zakken aan, cbedrijft misbaar en loopt om bij de 16tuinen; want 17Malcam zal wandelen in gevangenis, zijn dpriesters en zijn vorsten tezamen.

4

Wat roemt gij op uw18dalen? Uw 19dal is weggevloten, gij 20afkerige dochter, die op haar e21schatten vertrouwt, zeggende: f22Wie zou tegen mij komen?

5

Zie, Ik zal vrees over u brengen, spreekt de Heere HEERE der heirscharen, van allen 23die rondom u zijn, en gijlieden zult, een iegelijk 24voor zich heen, uitgedreven worden, en niemand zal den omdolende 25vergaderen.

6

Maar daarna zal Ik de gevangenis der kinderen Ammons 26wenden, spreekt de HEERE.

Profetie tegen Edom
7

Tegen 27Edom zegt de HEERE der heirscharen alzo: g28Is er dan geen wijsheid meer te 29Theman? Is de raad vergaan van de 30verstandigen? Is hunlieder wijsheid 31onnut geworden?

8

Vliedt, wendt u, 32woont in diepe plaatsen, gij inwoners van h33Dedan, want Ik 34heb Ezaus 35verderf over hem gebracht, den tijd 36dat Ik hem bezocht heb.

9

iZo er 37wijnlezers tot u gekomen waren, zouden zij niet een nalezing hebben overgelaten? Zo er dieven bij nacht gekomen waren, zouden zij niet38verdorven hebben 39zoveel hun genoeg ware?

10

Maar Ik heb Ezau ontbloot, Ik heb zijn verborgen plaatsen ontdekt, dat hij zich niet zal kunnen versteken; zijn zaad is verstoord, ook zijn broeders en zijn naburen, en 40hij is er niet meer.

11

Laat uw wezen achter, en Ik zal hen in het leven behouden, en laat uw weduwen op Mij vertrouwen.

12

Want zo zegt de HEERE: Zie, degenen welker 41oordeel het niet is den 42beker te drinken, zullen 43ganselijk drinken; en zoudt gij 44enigszins onschuldig gehouden worden? Gij zult niet onschuldig worden gehouden, maar gij zult 45ganselijk drinken.

13

Want Ik heb bij Mijzelven gezworen, spreekt de HEERE, dat 46Bozra worden zal tot een 47ontzetting, tot een smaadheid, tot een woestheid en tot een vloek; en al 48haar steden zullen worden tot 49eeuwige woestheden.

14

Ik heb een k50gerucht gehoord van den HEERE, en er is een 51gezant geschikt onder de heidenen, om te zeggen: Vergadert u en komt aan tegen 52haar en maakt u op ten strijde.

15

Want zie, Ik heb u klein 53gemaakt onder de heidenen, veracht onder de mensen.

16

Uw 54schrikkelijkheid heeft u 55bedrogen en de ltrotsheid uws harten, gij die woont in de kloven der 56steenrotsen, die 57u houdt op de hoogte der heuvelen. Al zoudt gij uw mnest zo hoog maken als de arend, zo zal Ik u vandaar nederstoten, spreekt de HEERE.

17

Alzo zal Edom worden tot een 58ontzetting; nal wie voorbij haar gaat, zal zich ontzetten, en 59fluiten over al haar plagen.

18

oGelijk de 60omkering van Sódom en Gomórra en haar 61naburen 62zal het zijn, zegt de HEERE; niemand zal 63daar wonen en geen mensenkind daarin verkeren.

19

pZie, gelijk een 64leeuw van de qverheffing der Jordaan zal hij opkomen tegen de 65sterke woning; want Ik zal 66hem 67in een ogenblik 68daaruit doen lopen; en wie daartoe verkoren is, dien zal Ik tegen haar 69bestellen; want wie is Mij gelijk, en rwie zou Mij 70dagvaarden, en wie is die 71herder die 72voor Mijn aangezicht bestaan zou?

20

Daarom, hoort des HEEREN raadslag dien Hij over Edom heeft beraadslaagd, en Zijn 73gedachten die Hij gedacht heeft over de inwoners van 74Theman: 75Zo de 76geringsten van de kudde 77hen niet zullen nedertrekken! Indien 78hij hunlieder woning niet 79boven hen zal verwoesten!

21

De aarde heeft gebeefd van het geluid huns vals, van het gekrijt, welks geluid gehoord is bij de 80Schelfzee.

22

Zie, hij zal opkomen sen 81snel vliegen als een arend en zijn vleugelen over Bozra uitbreiden; en het 82hart van Edoms helden zal te dien dage wezen als het hart van een tvrouw die in nood is.

Profetie tegen Damascus
23

Tegen v83Damascus. Beschaamd is 84Hamath en 85Arpad; omdat zij een boos 86gerucht gehoord hebben, zijn zij 87gesmolten; bij de 88zee is bekommernis, men kan er niet 89rusten.

24

Damascus is 90slap geworden, zij heeft zich gewend om te vluchten, en siddering heeft haar aangegrepen; benauwdheid en smarten als van een xbarende vrouw91hebben haar bevangen;

25

92Hoe is de 93beroemde stad niet gelaten, de stad 94mijner vrolijkheid!

26

95Daarom zullen haar jongelingen 96vallen op haar straten; en al haar krijgslieden zullen te dien dage nedergehouwen worden, spreekt de HEERE der heirscharen.

27

En Ik zal een y97vuur aansteken in den muur van Damascus, en het zal 98Benhadads paleizen verteren.

Profetie tegen de Arabieren
28

99Tegen 100Kedar en tegen de koninkrijken van 1Hazor, die Nebukadrézar, de koning van Babel, 2sloeg, zegt de HEERE alzo: Maakt u op, trekt op tegen Kedar en verstoort de kinderen van het 3oosten.

29

Zij zullen hun tenten en hun kudden nemen, hun gordijnen en al hun gereedschap en hun kemels voor zich wegnemen; en zij zullen tegen hen uitroepen: 4Schrik van rondom.

30

Vliedt, zwerft 5fluks henen weg, 6woont in diepe plaatsen, gij inwoners van Hazor, spreekt de HEERE; want Nebukadrézar, de koning van Babel, heeft een 7raadslag tegen ulieden beraadslaagd en een gedachte tegen hen gedacht.

31

Maakt u op, trekt op tegen het volk dat rust heeft, dat in 8zekerheid woont, spreekt de HEERE; dat geen 9deuren noch grendel heeft, die alleen wonen.

32

En hun kemels zullen ten roof zijn, en de menigte van hun vee zal ten buit zijn; en Ik zal hen verstrooien in 10alle winden, te weten degenen die aan de z11hoeken afgekort zijn; en Ik zal hunlieder verderf van al 12zijn zijden aanbrengen, spreekt de HEERE.

33

En Hazor zal worden tot een a13drakenwoning, een verwoesting tot in eeuwigheid; 14niemand zal daar wonen en geen mensenkind daarin verkeren.

Profetie tegen Elam
34

Het woord des HEEREN, dat tot den profeet Jeremía geschied is 15tegen Elam, in het begin des koninkrijks van Zedekía, den koning van Juda, zeggende:

35

Zo zegt de HEERE der heirscharen: Zie, Ik zal verbreken 16Elams boog, het 17voornaamste van hunlieder geweld.

36

En Ik zal de 18vier winden uit de vier hoeken des hemels over Elam aanbrengen, en zal hen in al diezelve winden 19verstrooien; en er zal geen volk zijn waarheen Elams verdrevenen niet 20zullen komen.

37

En Ik zal Elam versaagd maken voor het aangezicht hunner vijanden, en voor het aangezicht dergenen die 21hun ziel zoeken, en zal een 22kwaad over hen brengen, de hittigheid Mijns toorns, spreekt de HEERE; en Ik zal het zwaard achter hen zenden, 23totdat Ik hen verteerd zal hebben.

38

En Ik zal Mijn 24troon in Elam stellen, en zal den koning en de vorsten vandaar vernielen, spreekt de HEERE.

39

Maar het zal geschieden in het laatste der dagen, dat Ik Elams bgevangenis 25wenden zal, spreekt de HEERE.