DE PROFEETJEREMÍA

HOOFDSTUK 46.

Titel der volgende profetieën, vs. 1. Profetie van de nederlaag van den koning van Egypte, Farao Necho, 2. En wijders van de gehele verwoesting van Egypte door Nebukadrezar, met een bijgevoegde belofte, 13. Gods volk wordt getroost in hun kastijdingen, 27.

Profetie tegen Egypte
1

HET woord des HEEREN dat tot den profeet Jeremía geschied is tegen de heidenen.

2

1Tegen Egypte; tegen het heir van Farao Necho, koning van Egypte, 2dat aan de rivier 3Frath, 4bij Kárchemis was, dat Nebukadrézar, de koning van Babel, 5sloeg in het vierde jaar van Jójakim, den zoon van Josía, den koning van Juda.

3

Rust het schild en de rondas toe, en 6nadert tot den strijd.

4

7Spant de paarden aan en klimt op, gij ruiters, en stelt u met helmen; avaagt de spiesen, trekt de pantsiers aan.

5

Waarom 8zie ik dat zij versaagd en achterwaarts gedreven zijn? Zelfs hun helden zijn verslagen en 9nemen de vlucht en zien niet om; er is schrik van rondom, spreekt de HEERE.

6

De 10snelle ontvliede niet en de held ontkome niet; tegen het noorden, aan den 11oever der rivier Frath, zijn zij gestruikeld en gevallen.

7

Wie is deze, die optrekt als een 12stroom, wiens wateren zich bewegen als de rivieren?

8

13Egypte trekt op als een stroom en zijn wateren bewegen zich als de rivieren; en hij zegt: Ik zal optrekken, ik zal de aarde 14bedekken, ik zal de 15stad en die daarin wonen, verderven.

9

Trekt op, gij paarden, en 16raast, gij wagens; en laat de helden uittrekken: de 17Moren en de Puteeërs, die het schild 18handelen, en de Lydiërs, die den bboog handelen en19spannen.

10

Maar deze dag is des Heeren, des HEEREN der 20heirscharen, een dag der wrake, dat Hij Zich wreke van Zijn wederpartijders, en het zwaard zal vreten en verzadigd en dronken worden van hun bloed; want de Heere HEERE der heirscharen heeft een 21slachtoffer in het land van het 22noorden, aan de rivier Frath.

11

Ga henen op naar c23Gilead, en 24haal 25balsem, gij 26jonkvrouw, dochter van Egypte; tevergeefs vermenigvuldigt gij de medicijnen, er is geen 27heling voor u.

12

De volken hebben uw schande gehoord, en het land is vol van uw gekrijt; want zij hebben zich gestoten, held 28tegen held, zij zijn beiden tezamen gevallen.

Nebukadrézars inval in Egypte
13

29Het woord dat de HEERE tot den profeet Jeremía sprak, van de aankomst van Nebukadrézar, den koning van Babel, om Egypteland te 30slaan.

14

Verkondigt in Egypte en doet het horen te 31Migdol, doet het ook horen te Nof en te Tachpanhes; zegt: 32Stel er u naar en maak u gereed, want het zwaard heeft 33verteerd wat rondom u is.

15

Waarom 34zijn uw sterken weggeveegd? Zij 35stonden niet, omdat hen de HEERE 36voortdreef.

16

Hij 37maakte der struikelenden velen; ja, 38de een viel op den ander, zodat zij 39zeiden: Staat op en laat ons wederkeren tot ons volk en tot het land onzer 40geboorte, 41vanwege het 42verdrukkende zwaard.

17

Daar riepen zij: Farao, de koning van Egypte, is maar een 43gedruis; hij heeft den 44gezetten tijd laten voorbijgaan.

18

Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Koning, Wiens Naam is HEERE der heirscharen, hij zal voorzeker, 45als Thabor onder de bergen en als Karmel bij de zee, aankomen.

19

Maak voor 46u gereedschap der gevankelijke wegvoering, gij 47inwoneres, gij dochter van Egypte; want 48Nof zal ter verwoesting worden en zal 49verbrand worden, dat er niemand in wone.

20

Egypte is een zeer schone 50vaars; de 51slachter 52komt, hij komt van het noorden.

21

Zelfs haar 53gehuurden in haar midden zijn als 54gemeste kalveren; maar die 55hebben zich ook gewend, zij zijn tezamen gevlucht, zij hebben niet gestaan; want de dag huns 56verderfs is over hen gekomen, de tijd hunner 57bezoeking.

22

58Haar stem zal gaan als van een slang; want 59zij zullen met krijgsmacht daarheen trekken, en tot haar met bijlen komen, gelijk houthouwers.

23

Zij hebben haar 60woud afgehouwen, spreekt de HEERE, hoewel het niet is te 61onderzoeken; want zij zijn meerder dan de sprinkhanen, zodat men hen 62niet tellen kan.

24

De dochter van Egypte is beschaamd; zij is gegeven in de hand des volks van het 63noorden.

25

De HEERE der heirscharen, de God Israëls, zegt: Zie, Ik zal bezoeking doen over de 64menigte van No, en over Farao en over Egypte, en over haar goden en over haar 65koningen, ja, over Farao en over degenen die op hem vertrouwen.

26

En Ik zal hen geven in de hand dergenen die hunlieder 66ziel zoeken, en in de hand van Nebukadrézar, den koning van Babel, en in de hand zijner knechten. Maar daarna zal 67zij 68bewoond worden als in de dagen vanouds, spreekt de HEERE.

27

Maar dgij, Mijn knecht Jakob, vrees niet, en ontzet u niet, o Israël; want zie, Ik zal u verlossen uit verre landen, en uw 69zaad uit het land hunner gevangenis; en Jakob zal wederkomen en stil en gerust zijn, en niemand zal hem70verschrikken.

28

Gij dan, Mijn knecht Jakob, vrees niet, spreekt de HEERE; want Ik ben met u; want Ik zal een 71voleinding maken met al de heidenen waar Ik u heen gedreven zal hebben, doch met u zal Ik geen voleinding maken, maar u ekastijden met 72mate en u 73niet gans onschuldig houden.