DE PROFEETJESAJA

HOOFDSTUK 36.

Sanherib valt in Juda, vs. 1. Zendt Rabsake, die den koning Hizkia en het volk door godslasterlijke redenen tot wantrouwen op God en afval tot Sanherib zoekt te bewegen, 2, enz. Vgl. 2 Koningen 18, van het 13de vers af en 2 Kron. 32:1, enz.

Sanherib bedreigt Jeruzalem
1

EN 1 het geschiedde in het veertiende jaar van den koning Hizkía, dat Sanherib, de koning van Assyrië, optoog tegen alle vaste steden van Juda, en nam 2ze in.

2

En de koning van Assyrië zond Rabsaké van 3Lachis naar Jeruzalem, tot den koning Hizkía, met een zwaar heir; en hij stond 4aan den watergang des oppersten vijvers, 5aan den hogen weg van het veld des vollers.

3

Toen ging tot hem uit Eljakim, de zoon van Hilkía, de hofmeester, en Sebna, 6de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier.

4

En Rabsaké zeide tot hen: Zegt nu tot Hizkía: Zo zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Wat vertrouwen is dit, waarmede gij vertrouwt?

5

Ik mocht zeggen (doch het is een woord der lippen): Er is raad en macht tot den oorlog. Op wien vertrouwt gij nu, dat gij tegen mij rebelleert?

6

Zie, 7gij vertrouwt op dien agebroken rietstaf, op Egypte, op denwelken zo iemand leunt, zo zal hij in zijn hand gaan en die doorboren; alzo is Farao, de koning van Egypte, al dengenen die op hem vertrouwen.

7

Maar zo gij tot mij zegt: Wij vertrouwen op den HEERE onzen God; is Hij Die niet, Wiens hoogten en Wiens altaren Hizkía weggenomen heeft, en 8tot Juda en tot Jeruzalem gezegd heeft: Voor dit altaar zult gij u 9nederbuigen?

8

Nu dan, 10wed toch met mijn heer, den koning van Assyrië, en ik zal u tweeduizend paarden geven, zo gij voor u de ruiters daarop zult kunnen geven.

9

Hoe zoudt gij dan het aangezicht van een enigen vorst, van de geringste knechten mijns heren, afkeren? Maar gij vertrouwt op Egypte, om de wagens en om de ruiters.

10

En nu, ben ik 11zonder den HEERE opgetogen tegen dit land om dat te verderven? De HEERE 12heeft tot mij gezegd: Trek op tegen dat land en verderf het.

11

Toen zeide Eljakim en Sebna en Joah tot Rabsaké: 13Spreek toch tot uw knechten in het Syrisch, want 14wij verstaan het wel; en spreek niet met ons in het Joods voor de oren des volks dat op den muur is.

12

Maar Rabsaké zeide: Heeft mijn heer mij tot uw heer en tot u gezonden om deze woorden te spreken? Is het niet tot de mannen die op den muur zitten, 15dat zij met ulieden hun drek eten en hun water drinken zullen?

13

Alzo stond Rabsaké en riep 16met luider stem in het Joods, en zeide: Hoort de woorden des groten konings, des konings van Assyrië.

14

Alzo zegt de koning: Dat Hizkía u niet bedriege, want hij zal u niet kunnen redden.

15

Daartoe, dat Hizkía u niet doe vertrouwen op den HEERE, zeggende: 17De HEERE zal ons zekerlijk redden; deze stad zal niet in de hand des konings van Assyrië gegeven worden.

16

Hoort naar Hizkía niet; want alzo zegt de koning van Assyrië: Handelt met mij 18door een geschenk 19en komt tot mij uit, en eet een ieder van zijn wijnstok en een ieder van zijn vijgenboom, en drinkt een ieder het water zijns bornputs;

17

Totdat ik kom en u 20haal in een land 21als ulieder land is, een land van koren en van most, een land van brood en van wijngaarden.

18

Dat Hizkía ulieden niet verleide, zeggende: De HEERE zal ons redden. Hebben de goden der volken een ieder zijn land gered uit de hand des konings van Assyrië?

19

Waar zijn de goden van 22Hamath en Arpad? Waar zijn de goden van Sefarváïm? Hebben zij ook 23Samaría van mijn hand gered?

20

Welke zijn ze onder al de goden dezer landen, die hun land uit mijn hand gered hebben, dat de HEERE Jeruzalem uit mijn hand redden zou?

21

Doch 24zij zwegen stil en antwoordden hem niet één woord; want het gebod des konings was, zeggende: Gij zult hem niet antwoorden.

22

Toen kwam Eljakim, de zoon van Hilkía, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, tot Hizkía 25met gescheurde klederen; en zij gaven hem de woorden van Rabsaké te kennen.