HET BOEK VANJOB

HOOFDSTUK 40.

Job wordt weder van den Heere bestraft, omdat hij de gerechtigheid en de macht Gods nog niet ten volle bekend had, vs. 1, enz. De macht Gods wordt beschreven door tegenstelling van de zwakheid Jobs, 4. Door enige bevelen hem van God spotswijze voorgesteld, opdat hij zijn macht in het nakomen derzelve zou betonen, 5. Door de beschrijving van den behemoth, 10. En van den leviathan, die God beide geschapen heeft, 20.

Job opnieuw door God bestraft
1

EN de HEERE antwoordde Job uit 1een onweder en zeide:

2

2Gord nu als een man uw lendenen; Ik zal u vragen, en 3onderricht Mij.

3

Zult gij 4ook aMijn 5oordeel tenietmaken? Zult gij Mij 6verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?

4

Hebt gij een 7arm gelijk God? En kunt gij gelijk Hij met de stem donderen?

5

8Versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid.

6

Strooi de 9verbolgenheden uws toorns uit, en 10zie allen hoogmoedige en verneder hem.

7

Zie allen hoogmoedige en breng hem ten onder, en verpletter de goddelozen 11in hun plaats.

8

Verberg hen 12tezamen in het 13stof; 14verbind hun aangezichten in het verborgene.

9

Dan zal Ik ook u loven, 15omdat uw 16rechterhand u zal verlost hebben.

10

Zie nu, 17behémoth, welken Ik gemaakt heb 18nevens u, 19hij eet hooi gelijk een rund.

11

Zie toch, zijn kracht is in zijn lendenen, en zijn macht in den 20navel zijns buiks.

12

Als het hem lust, 21zijn staart is als een ceder; de zenuwen zijner schaamte zijn 22doorvlochten.

13

Zijn beenderen zijn als23vast koper; zijn gebeenten zijn als ijzeren handbomen.

14

Hij is 24een hoofdstuk der wegen Gods; Die hem gemaakt heeft, heeft hem25zijn zwaard aangehecht.

15

26Omdat de bergen hem voeder voortbrengen, daarom spelen al de dieren des velds 27aldaar.

16

Onder 28schaduwachtige bomen ligt hij neder, 29in een schuilplaats des riets en des slijks.

17

De schaduwachtige bomen bedekken hem, 30elkeen met zijn schaduw; de beekwilgen omringen hem.

18

Zie, hij 31doet de rivier geweld aan en32verhaast zich niet; hij vertrouwt dat hij de 33Jordaan in zijn mond zou kunnen intrekken.

19

Zou men hem 34voor zijn ogen kunnen vangen? Zou men hem met strikken den neus doorboren kunnen?

20

Zult gij den 35leviathan met den angel 36trekken, of 37zijn tong met een koord dat gij laat nederzinken?

21

Zult gij hem een 38bieze in den neus leggen, of met een 39doorn zijn kaak doorboren?

22

Zal hij aan u 40vele smekingen maken? Zal hij 41zachtkens tot u spreken?

23

Zal hij een verbond met u maken? Zult gij hem aannemen tot 42een eeuwigen slaaf?

24

Zult gij met hem spelen gelijk met een 43vogeltje? Of zult gij hem binden 44voor uw jongedochters?

25

Zullen de 45metgezellen over hem een 46maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de 47kooplieden?

26

Zult gij zijn huid met haken 48vullen, of met een 49visserskrauwel zijn hoofd?

27

Leg uw hand 50op hem; gedenk 51des strijds, 52doe het niet meer.

28

Zie, 53zijn hoop zal 54feilen; zal 55hij ook voor zijn 56gezicht 57nedergeslagen worden?