HET EERSTE BOEK DERKRONIEKEN

HOOFDSTUK 12.

Hier worden nog enige helden van David genoemd, die tot hem gekomen zijn, toen hij nog van Saul vervolgd werd, vs. 1, enz. Eerst uit het geslacht van Saul zelven, 2. Daarna uit den stam van Gad, 14. Ook uit de stammen van Benjamin en Juda, 16. En van Manasse, 19. Eindelijk worden verhaald de oversten der krijgslieden die tot David te Hebron gekomen zijn om hem koning te maken, mitsgaders het getal uit elken stam, 23. Gans Israël is het eens om David koning te maken over zich, 38. Zij maken goede sier met elkander drie dagen lang, 39.

Davids helden te Ziklag
1

DEZEN nu zijn het die tot David kwamen naar 1Ziklag, 2toen hij nog besloten was voor het aangezicht van Saul, den zoon van Kis; zij waren ook onder 3de helden die tot dien krijg hielpen,

2

Gewapend met bogen, 4rechts en links met stenen werpende, en met pijlen schietende uit den boog; zij waren 5van de broederen van Saul, uit Benjamin.

3

Het hoofd was Ahiëzer, en Joas, zonen van Semáä, den Gibeathiet; daarna Jeziël en Pelet, zonen van Azmáveth; en Berácha, en Jehu, de Anathothiet;

4

En Jísmaja, de Gibeoniet, was een held onder de dertig en over dertig gesteld; en Jírmeja en Jaháziël en Jóhanan en Józabad, de Gederathiet;

5

Elúzai en Jerímoth en Beálja en Semárja en Sefátja, de Harufiet;

6

Elkana en Jissía en Azáreël en Joëzer en Jasóbam, de Korachieten;

7

En Joëla en Zebádja, de zonen van Jeróham, van Gedor.

8

6Ook scheidden zich van de Gadieten af tot David in 7die vesting naar de woestijn, kloeke helden, krijgslieden ten oorlog, 8toegerust met rondas en schild; en hun aangezichten 9waren aangezichten der leeuwen; en zij waren 10als de reeën op de bergen in snelheid.

9

Ezer was het hoofd; Obadja de tweede; Eliab de derde;

10

Mismánna de vierde; Jírmeja de vijfde;

11

Attai de zesde; Elíël de zevende;

12

Jóhanan de achtste; Elzabad de negende;

13

Jírmeja de tiende; Machbánnai de elfde.

14

Dezen waren van de kinderen van Gad, hoofden des heirs; een van de kleinsten was over honderd, en de grootste over duizend.

15

Deze zelven zijn het die over de Jordaan gingen in de eerste maand, toen 11dezelve vol was aan al haar oevers; en zij verdreven al de inwoners12der laagten tegen het oosten en tegen het westen.

16

Er kwamen ook van de kinderen van Benjamin en Juda op de vesting tot David.

17

En David ging uit 13hun tegemoet, en antwoordde en zeide tot hen: Indien gijlieden 14ten vrede tot mij gekomen zijt, om mij te helpen, zo zal mijn hart tegelijk over ulieden zijn; maar indien het is om mij aan mijn vijanden bedrieglijk over te leveren, 15daar toch geen wrevel in mijn handen is, de God onzer vaderen zie het en straffe het.

18

En de Geest 16toog Amásai aan, den 17overste 18der hoofdlieden, en hij zeide: Wij zijn uwe, o David, en met u zijn wij, gij zoon van Isaï; vrede, vrede zij u en vrede uw helpers, want uw God helpt u. Toen nam David hen aan en stelde hen tot hoofden der benden.

19

Er avielen ook van Manasse tot David, toen hij met de Filistijnen kwam om tegen Saul te strijden, 19alhoewel zij hen niet hielpen; want de vorsten der Filistijnen verlieten hem 20met rade, zeggende: 21Met gevaar van onze hoofden 22zou hij tot Saul, zijn heer, vallen.

20

Toen hij 23naar 24Ziklag toog, vielen tot hem uit Manasse: Adnah en Józabad en Jedíaël en Michaël en Józabad en Elihu en Zillethai, hoofden der duizenden die in Manasse waren.

21

En dezen hielpen David mede tegen 25die benden, want al dezen waren kloeke helden; en zij waren oversten 26in het heir.

22

Want er kwamen er te dien tijde dag bij dag tot David om hem te helpen, tot een groot leger toe, als 27een leger Gods.

Davids leger te Hebron
23

En dit zijn de getallen der hoofden dergenen die toegerust waren ten heire, die tot David te Hebron kwamen, om 28het koninkrijk van Saul tot hem te wenden, 29naar den mond des HEEREN:

24

Van de kinderen van Juda, die rondassen en spiesen droegen, waren zesduizend en achthonderd, toegerust ten heire;

25

Van de kinderen van Simeon, kloeke helden ten heire, zevenduizend en honderd;

26

Van de kinderen van Levi, vierduizend en zeshonderd;

27

En Jehójada 30was overste der Aäronieten, en met hem waren er drieduizend en zevenhonderd;

28

En Zadok was een jongeling, een kloek held, en uit zijns vaders 31huis waren twee en twintig oversten;

29

En van de kinderen van Benjamin, 32de broederen van Saul, drieduizend; 33want tot nog toe waren er velen van hen, 34die het met het huis van Saul hielden;

30

En van de kinderen van Efraïm, twintigduizend en achthonderd, kloeke helden, 35mannen van naam in het huis hunner vaderen;

31

En 36van den halven stam van Manasse achttienduizend, die met namen uitgedrukt zijn, dat zij kwamen om David koning te maken;

32

En van de kinderen van Issaschar, die 37ervaren waren in het verstand van de tijden, om te weten wat Israël doen moest; hun hoofden waren tweehonderd, en al hun broeders pasten op hun 38woord;

33

Uit Zebulon, uitgaande in het heir, toegerust ten strijde met alle krijgswapenen, vijftigduizend; 39en om een slagorde te houden met een 40onwankelbaar hart;

34

En uit Naftali, duizend oversten, en bij hen met rondas en spies zeven en dertig duizend;

35

En uit de Danieten, ten strijde toegerust, acht en twintig duizend en zeshonderd;

36

En uit Aser, uitgaande in het heir om krijgsorde te houden, waren veertigduizend;

37

En van gene zijde van de Jordaan, van de Rubenieten en Gadieten en den halven stam van Manasse, met allerlei krijgsgereedschap ten oorlog, honderd en twintig duizend.

38

Al deze krijgslieden, die zich in slagorde konden houden, 41kwamen met een volkomen hart te Hebron, om David koning te maken over gans Israël. En ook was al het overige van Israël één hart om David ten koning te maken.

39

En zij waren 42daar bij David drie dagen lang, 43etende en drinkende; 44want 45hun broeders hadden voor hen wat toebereid.

40

En ook de 46naasten aan hen, tot aan Issaschar en Zebulon en Naftali, brachten brood op ezels en op kemels, en op muildieren en op runderen, meelspijze, stukken vijgen en stukken rozijnen, en wijn en olie, en runderen en 47kleinvee in menigte; want er was blijdschap in Israël.