DE PROFEETJESAJA

HOOFDSTUK 57.

De Heere verwijt den Joden hun lichtvaardige zorgeloosheid, omdat zij niet achtten den dood der vrome en godzalige mannen, vs. 1, enz. Alsook omdat zij de profeten bespotten, 4. En afgoderij bedreven, 5. En omdat zij zich op menselijke hulp verlieten, 9. Daarom dreigt Hij hen te straffen, 12. Doch Hij troost de boetvaardigen en belooft hun genade te bewijzen, 13. Maar de goddelozen hebben geen vrede, 20.

1

DE 1 rechtvaardige komt om, en er is niemand die het ter harte neemt; en ade weldadige lieden 2worden weggeraapt, zonder dat er iemand op let 3dat de rechtvaardige weggeraapt wordt 4vóór het kwaad.

2

5Hij zal ingaan 6in den vrede; zij zullen rusten op hun 7slaapsteden, een iegelijk die in zijn 8oprechtheid gewandeld heeft.

3

Doch nadert gijlieden hiertoe, 9gij kinderen der guichelares, 10gij overspelig zaad, en gij die hoererij bedrijft.

4

11Over wien maakt gij u lustig, 12over wien spert gij den mond wijd op en steekt de tong languit? Zijt gij niet 13kinderen der overtreding, 14een zaad der valsheid?

5

Die 15hittig zijt 16in de eikenbossen, onder allen 17groenen boom; 18slachtende de kinderen aan de beken, 19onder de hoeken der steenrotsen.

6

20Aan de gladde stenen der beken 21is uw deel, die, die zijn 22uw lot; ook stort gij 23denzelven drankoffer uit, gij offert ze spijsoffer; 24zou Ik Mij over deze dingen troosten laten?

7

Gij stelt 25uw leger op een hogen en verheven berg, ook klimt gij derwaarts op 26om slachtoffer te offeren.

8

27En achter de deur en posten zet gij 28uw gedenkteken; want van Mij 29wijkende ontdekt gij u en 30klimt op; 31gij maakt uw leger wijd 32en maakt u een verbond met enigen uit dezelve; gij hebt 33hun leger lief 34in elke 35plaats die gij ziet.

9

En 36gij trekt 37met olie tot den koning en 38gij vermenigvuldigt uw welriekende zalven, en gij zendt uw gezanten 39ver weg 40en vernedert u 41tot de hel toe.

10

42Gij zijt vermoeid door 43uw grote reis, maar gij zegt niet: 44Het is buiten hoop. 45Gij hebt het leven uwer hand gevonden; daarom 46wordt gij niet ziek.

11

47Maar voor wien hebt gij geschroomd of gevreesd? Want gij hebt gelogen en 48zijt Mijner niet gedachtig geweest, gij hebt Mij op uw hart niet gelegd; is het niet 49omdat Ik zwijg, 50en dat vanouds af, en gij vreest Mij niet?

12

Ik zal 51uw gerechtigheid 52bekendmaken en uw werken, dat zij u geen nut doen zullen 53.

13

Wanneer 54gij roepen zult, zo laat hen 55die van u vergaderd zijn, u redden; doch de wind zal hen allen wegvoeren, de ijdelheid zal hen wegnemen. Maar bdie op Mij betrouwt, die zal het aardrijk erven en 56Mijn heiligen berg erfelijk bezitten.

Troost voor verbrijzelden
14

En 57men zal zeggen: Verhoogt de baan, verhoogt de baan, bereidt den weg, neemt den aanstoot uit den weg Mijns volks.

15

Want alzo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien 58die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make den geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden.

16

Want cIk zal niet 59eeuwiglijk twisten en Ik zal niet geduriglijk verbolgen zijn; want 60de geest zou van voor Mijn aangezicht 61overstelpt worden, 62en de zielen ddie Ik gemaakt heb.

17

Ik was verbolgen over de ongerechtigheid 63hunner gierigheid en sloeg hen, 64Ik verborg Mij en was verbolgen; evenwel gingen zij afkerig heen 65in den weg huns harten.

18

66Ik zie hun wegen en Ik zal hen genezen, en Ik zal hen geleiden en hun vertroostingen wedergeven, namelijk aan 67hun treurigen.

19

68Ik schep de vrucht der lippen, vrede, vrede 69dengenen die verre zijn, en dengenen die nabij zijn, zegt de HEERE, en Ik zal hen genezen.

20

Doch de goddelozen zijn 70als een voortgedreven zee, want die kan niet rusten, en haar 71wateren 72werpen slijk en modder 73op.

21

eDe goddelozen, zegt mijn God, 74hebben geen vrede.