DE PROFEETEZECHIËL

HOOFDSTUK 21.

God beveelt den profeet zeer scherp te profeteren tegen Jeruzalem, den tempel en het ganse land, hogen en lagen, van het zwaard des Heeren, waarover de profeet, het volk tot een teken, moet zuchten en misbaar bedrijven, vss. 1, 2, enz. Voorzegt dat de koning van Babel in beraad zal staan, of hij eerst Jeruzalem, of het land der Ammonieten zal aantasten, doch dat hij eerst zal trekken naar Jeruzalem, om haar meinedigheid, 18. Profetie tegen het koninkrijk van Juda, en van de komst van Christus, 26. Insgelijks tegen de Ammonieten, 28.

Het zwaard tegen Jeruzalem
1

EN des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:

2

Mensenkind, 1zet uw aangezicht tegen Jeruzalem, en 2drup tegen 3de heiligdommen, en profeteer tegen het 4land van Israël,

3

En zeg tot het land van Israël: Alzo zegt de HEERE: Zie, 5Ik wil aan u, en Ik zal Mijn 6zwaard uit zijn schede trekken, en Ik zal van u uitroeien den 7rechtvaardige en den goddeloze.

4

Omdat Ik dan van u uitroeien zal den rechtvaardige en den goddeloze, daarom zal Mijn zwaard uit zijn schede uitgaan 8tegen alle vlees, van het zuiden tot het noorden.

5

En alle vlees zal weten dat Ik, de HEERE, Mijn zwaard uit zijn schede getrokken heb; het zal 9niet meer wederkeren.

6

Maar gij, mensenkind, 10zucht; zucht voor 11hun ogen met 12verbreking der lendenen en 13met bitterheid.

7

En het zal geschieden als zij tot u zeggen zullen: Waarom zucht gij? dat gij zeggen zult: Om het 14gerucht, want het komt; en alle hart 15zal aversmelten, en alle handen 16zullen bverslappen, en alle 17geest zal 18cinkrimpen, en alle dknieën als water 19heenvlieten; zie, het 20komt en het zal geschieden, spreekt de Heere HEERE.

8

Wederom geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:

9

Mensenkind, profeteer en zeg: Alzo zegt de HEERE: Zeg: 21Het zwaard, 22het zwaard is 23gescherpt, en ook 24gevaagd.

10

Het is gescherpt, opdat het 25een slachting slachte; het is gevaagd, opdat het 26een glinster hebbe; 27of wij dan zullen vrolijk zijn? 28Het is 29de roede 30Mijns zoons, 31die 32alle hout 33versmaadt.

11

En 34Hij heeft 35hetzelve te vagen gegeven, opdat men het met de hand handelen zou; het zwaard is gescherpt en het is gevaagd, om hetzelve in de hand 36des doodslagers te geven.

12

Schreeuw en huil, o mensenkind, want 37hetzelve zal zijn 38tegen Mijn volk, het zal zijn tegen al de vorsten van Israël; e39verschrikkingen zullen vanwege het zwaard bij Mijn volk zijn; daarom, 40fklop op de heup.

13

Als er 41beproeving gwas, 42wat was het toen? 43Zou er dan 44ook geen 45versmadende roede 46zijn? spreekt de Heere HEERE.

14

Daarom, gij mensenkind, profeteer, en 47sla hand tegen hand; want het zwaard zal verdubbeld worden 48ten derden male, het is het zwaard 49dergenen die verslagen zullen worden; het is het zwaard der 50groten die verslagen zullen worden, dat 51tot hen in de binnenste kamers indringen zal.

15

Ik heb de 52punt des zwaards gezet tegen al 53hun poorten, opdat het hart 54versmelte en 55de aanstoten vermenigvuldigen. 56Ach, h57het is toegemaakt 58opdat het glinstere, het 59is ingewonden om te slachten.

16

60Houd u bijeen, o zwaard, keer u rechtsom, schik u, keer u linksom, 61waarheen uw aangezicht gesteld is.

17

En Ik Zelf zal ook Mijn hand tegen Mijn hand 62slaan, en 63Mijn grimmigheid doen rusten; Ik, de HEERE, heb het gesproken.

18

Wederom geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:

19

Gij nu, mensenkind, 64stel u 65twee wegen voor waardoor het zwaard des konings van Babel komt; uit 66één land zullen zij beide voortkomen; en kies een 67zijde, kies ze 68aan het hoofd van den weg der stad.

20

Gij zult een weg voorstellen waardoor het zwaard inkomen zal tegen 69Rabba der kinderen Ammons, of tegen Juda, tot de vaste stad Jeruzalem.

21

Want de koning van Babel 70zal aan de 71wegscheiding 72staan, aan 73het hoofd van de twee wegen, om 74waarzegging te gebruiken; hij zal zijn pijlen 75slijpen, hij zal den 76terafim 77vragen, hij zal de 78lever bezien.

22

De waarzegging zal aan zijn rechterhand zijn 79op Jeruzalem, om 80hoofdmannen 81te stellen, om 82den mond te openen in het doodslaan, om 83de stem op te heffen met gejuich, om 84stormrammen te stellen tegen de poorten, om isterkten op te werpen, om bolwerken te bouwen.

23

85Dit zal 86hun 87in hun ogen als een 88ijdel waarzeggen zijn, omdat zij met eden beëdigd zijn 89onder hen; maar 90hij zal der 91ongerechtigheid gedenken, 92opdat zij 93gegrepen worden.

24

Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Omdat gijlieden uwer ongerechtigheid 94doet gedenken, doordien uw overtredingen ontdekt worden, zodat uw zonden gezien worden in al uw handelingen; omdat uwer gedacht wordt, zult gij met de 95hand gegrepen worden.

25

En gij, 96o onheilig, 97goddeloos vorst van Israël, wiens 98dag komen zal ten 99tijde der uiterste ongerechtigheid;

26

Alzo zegt de Heere HEERE: Doe dien hoed 100weg en hef die kroon af, deze zal 1dezelve niet wezen; Ik zal verhogen dien die 2nederig is, en vernederen dien 3die hoog is.

27

Ik zal 4die kroon5omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen; ja, 6zij zal niet zijn, totdat Hij kome Die 7daartoe recht heeft, en Dien Ik 8dat geven zal.

Het zwaard tegen Ammon
28

En gij, mensenkind, profeteer en zeg: Alzo zegt de Heere HEERE, van de kinderen Ammons en van hun 9smading; zo zeg: Het zwaard, 10het zwaard is 11uitgetrokken, het is ter 12slachting gevaagd 13om te verdoen, 14om te glinsteren;

29

Terwijl 15zij 16u 17ijdelheid zien, terwijl zij u leugen voorzeggen, om u op 18de halzen te stellen dergenen 19die van de goddelozen verslagen zijn, 20welker 21dag gekomen was ten tijde der uiterste ongerechtigheid.

30

22Keer uw zwaard weder in zijn schede; in de plaats 23waar gij geschapen zijt, in het land uwer 24woningen zal Ik u 25richten.

31

En Ik zal over u Mijn gramschap uitgieten, Ik zal tegen u door het 26vuur Mijner verbolgenheid blazen; en Ik zal u overgeven in de hand van 27brandende mensen, 28smeders des verderfs.

32

Het vuur zult gij 29tot spijze zijn, uw 30bloed zal zijn in het midden des lands; uwer zal 31niet gedacht worden, want Ik, de HEERE, heb het gesproken.