HET BOEK VANJOB

HOOFDSTUK 3.

Job door de grootheid zijner plagen en der smart, die hij daarover had, geperst zijnde, vervloekt den dag zijner geboorte, vs. 1, enz. Wenst na zijn geboorte terstond gestorven te zijn, 11. Geeft redenen daarvan, 13. Beklaagt het leven der ellendigen, 20. En past zulke klacht op zichzelven, 24.

Job vervloekt zijn geboortedag
1

DAARNA opende Job zijn mond en avervloekte 1zijn dag.

2

Want Job 2antwoordde en zeide:

3

De dag verga waarin ik geboren ben, en de nacht waarin men zeide: Een knechtje is 3ontvangen;

4

Diezelve dag 4zij duisternis; dat God naar hem 5niet vrage van boven, en dat geen glans over hem schijne;

5

Dat de duisternis en 6des doods schaduw hem verontreinigen; dat wolken over hem wonen; dat hem verschrikken de 7zwarte dampen des dags.

6

Diezelve nacht, donkerheid neme hem in; dat hij zich 8niet verheuge onder de dagen des jaars; dat hij in het getal der 9maanden niet kome.

7

Zie, diezelve nacht zij 10eenzaam; dat geen vrolijk gezang daarin kome;

8

Dat hem vervloeken de 11vervloekers des dags, die bereid zijn hun 12rouw te verwekken;

9

Dat de sterren 13van zijn schemertijd verduisterd worden; hij 14wachte naar het licht en het worde niet; en hij zie niet de 15oogleden des dageraads;

10

Omdat 16hij niet toegesloten heeft de deuren mijns 17buiks, noch 18verborgen de moeite van mijn ogen.

11

bWaarom 19ben ik niet gestorven van de baarmoeder aan, en heb den geest gegeven als ik uit den buik voortkwam?

12

Waarom zijn mij de 20knieën voorgekomen, en waartoe de borsten opdat ik 21zuigen zou?

13

Want nu zou ik nederliggen en stil zijn; ik zou slapen, dan zou voor mij rust wezen;

14

22Met de koningen en raadsheren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden;

15

Of met de vorsten, die goud hadden, die hun huizen met zilver vervulden.

16

23Of als een 24verborgen misdracht, zou 25ik niet zijn; als de 26kinderkens die het licht niet gezien hebben.

17

27Daar houden de bozen op van 28beroering, en daar rusten de 29vermoeiden van kracht;

18

Daar zijn de 30gebondenen tezamen in rust; zij horen de stem des 31drijvers niet.

19

32De kleine en de grote is daar, en de knecht vrij van 33zijn heer.

20

Waarom geeft 34Hij den ellendige het 35licht, en het leven 36den bitterlijk bedroefden van gemoed?

21

Die verlangen naar den dood, maar hij is er niet; en graven daarnaar meer dan naar verborgen schatten;

22

Die blijde zijn tot opspringens toe, en zich verheugen als zij het graf vinden;

23

37Aan den man wiens weg 38verborgen is, cen 39dien God overdekt heeft?

24

Want 40vóór mijn brood komt mijn zuchting, en mijn brullingen 41worden uitgestort als water.

25

Want ik vreesde een 42vreze, en zij is mij aangekomen; en wat ik schroomde, is mij overkomen.

26

Ik was niet 43gerust, en was niet stil en rustte niet; en de beroering is gekomen.