DE ZENDBRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUSAAN DEROMEINEN

HOOFDSTUK 11.

1 De apostel gesproken hebbende van de verwerping der Joden en van de beroeping der heidenen, leert verder dat deze verwerping niet algemeen is over al de Joden, hetwelk hij bewijst met zijn eigen voorbeeld. 2 Alsook uit de onveranderlijkheid der verkiezing Gods; en met het voorbeeld der tijden van Elia. 5 Doch dat degenen die uit hen behouden worden, niet uit hun werken, maar uit genade behouden worden. 7 En dat de anderen door hun hardnekkigheid verloren gaan. 8 Hetwelk hij uit de Schrift bewijst. 11 Daarna vermaant hij de heidenen, dat zij zich niet moeten verheffen tegen de Joden, alzo hun verwerping een gelegenheid is geweest van der heidenen beroeping, door welke de Joden ook zullen opgewekt worden om naar hun voorbeeld mede te geloven; dewijl zij tot het verbond behoren, 17 En de heidenen, eer zij beroepen werden, daarvan vreemd waren; maar uit enkel genade zijn beroepen. 19 Derhalve dat de heidenen wel moeten toezien, dat zij ook om hun ongehoorzaamheid niet verworpen worden. 25 Ten zelven einde openbaart hij een verborgenheid, dat na der heidenen bekering de Joden ook zullen bekeerd worden. 26 Hetwelk hij bevestigt uit de Schrift. 28 En omdat God hen om der vaderen wil nog liefheeft. 30 Zodat dezelfde God Die den heidenen genade gedaan heeft, hetzelfde ook aan de Joden zal willen doen. 33 Eindelijk besluit hij met een verwondering over de grote wijsheid Gods in het bestieren van der mensen zaligheid. 36 Welker begin, voortgang en einde Hem alleen toegeschreven wordt.

Een overblijfsel naar de verkiezing
1

IK 1 zeg dan: aHeeft God 2Zijn volk 3verstoten? Dat zij verre; bwant ik ben ook 4een Israëliet, 5uit het zaad Abrahams, van den stam van 6Benjamin.

2

God heeft 7Zijn volk niet 8verstoten, hetwelk Hij tevoren 9gekend heeft. Of 10weet gij niet wat de Schrift zegt 11van Elía? Hoe hij God 12aanspreekt 13tegen Israël, zeggende:

3

cHeere, zij hebben Uw profeten gedood en 14Uw altaren 15omgeworpen, en ik ben alleen overgebleven, en zij 16zoeken mijn ziel.

4

Maar wat zegt tot hem 17het Goddelijk antwoord? dIk heb Mijzelven nog18zevenduizend 19mannen 20overgelaten, die 21de knie voor het beeld van22Baäl niet gebogen hebben.

5

eAlzo is er dan ook 23in dezen tegenwoordigen tijd 24een overblijfsel geworden 25naar de verkiezing der genade.

6

fEn indien het 26door genade is, 27zo is het niet meer 28uit de werken; 29anderszins is de genade 30geen genade meer. En indien het is uit de werken, zo is het 31geen genade meer; anderszins is het werk 32geen werk meer.

7

33Wat dan? g34Hetgeen 35Israël 36zoekt, dat heeft het niet verkregen; maar 37de uitverkorenen hebben het verkregen, en 38de anderen zijn 39verhard geworden

8

(Gelijk geschreven is: hGod heeft hun gegeven een 40geest 41des diepen slaaps; i42ogen om niet te zien, en oren om niet te horen), 43tot op den huidigen dag.

9

En 44David zegt: kHun 45tafel worde 46tot een strik en tot een val en tot een aanstoot en 47tot een vergelding voor hen;

10

Dat hun ogen verduisterd worden, om niet te zien; en 48verkrom hun rug allen tijd.

Zich niet boven de Joden verheffen
11

49Zo zeg ik dan: Hebben zij gestruikeld opdat zij 50vallen zouden? Dat zij verre; maar door hun 51val is52de zaligheid den heidenen geworden, 53om hen 54tot jaloersheid te verwekken.

12

En indien 55hun val 56de rijkdom is 57der wereld, en 58hun vermindering de rijkdom der heidenen, hoeveel te meer 59hun volheid!

13

60Want ik spreek tot u, heidenen: l61Voor zoveel ik 62der heidenen apostel ben, ik maak 63mijn bediening 64heerlijk,

14

Of ik enigszins 65mijn vlees tot 66jaloersheid verwekken en 67enigen 68uit hen 69behouden mocht.

15

Want indien 70hun 71verwerping 72de verzoening is 73der wereld, wat zal 74de aanneming wezen, anders dan 75het leven uit de doden?

16

En indien 76de eerstelingen 77heilig zijn, zo is ook 78het deeg heilig; en indien 79de wortel heilig is, zo zijn ook 80de takken heilig.

17

En zo 81enige der takken 82afgebroken zijn, en 83gij, 84een wilde olijfboom zijnde, 85in derzelver plaats86zijt ingeënt, en 87des wortels en der vettigheid m88des olijfbooms mededeelachtig zijt geworden,

18

Zo roem niet tegen 89de takken; en indien gij daartegen roemt, 90gij draagt den wortel niet, maar de wortel u.

19

91Gij zult dan zeggen: De takken zijn afgebroken, opdat ik zou ingeënt worden.

20

92Het is wel; 93zij zijn door ongeloof afgebroken, en 94gij staat door het geloof. 95Zijt niet hooggevoelende, maar 96vrees.

21

Want is het dat God 97de natuurlijke takken niet 98gespaard heeft, zie toe dat Hij ook mogelijk 99u niet spare.

22

100Zie dan 1de goedertierenheid en 2de strengheid Gods; de strengheid wel 3over degenen die gevallen zijn, maar de goedertierenheid 4over u, 5indien gij in de goedertierenheid blijft; anderszins zult ook 6gij 7afgehouwen worden.

23

nMaar ook 8zij, indien zij in het ongeloof niet blijven, zullen 9ingeënt worden; want God is machtig dezelve 10weder in te enten.

24

Want indien 11gij 12afgehouwen zijt uit den olijfboom 13die van nature wild was, en 14tegen nature in den goeden olijfboom ingeënt, hoeveel te meer zullen 15dezen, die natuurlijke takken zijn, in 16hun eigen olijfboom geënt worden!

Israëls heerlijk vooruitzicht
25

Want ik wil niet, broeders, dat u 17deze verborgenheid onbekend zij (opdat gij niet 18wijs zijt bij uzelven), dat 19de verharding 20voor een deel over 21Israël gekomen is, ototdat 22de volheid der heidenen zal 23ingegaan zijn.

26

En 24alzo zal 25geheel Israël 26zalig worden; pgelijk geschreven is: 27De Verlosser zal uit Sion komen en zal 28de goddeloosheden afwenden 29van Jakob;

27

En dit is 30hun een verbond van Mij, als Ik hun zonden zal wegnemen.

28

31Zo zijn zij wel 32vijanden 33aangaande het Evangelie, 34om uwentwil, maar 35aangaande de verkiezing zijn zij 36beminden, 37om der vaderen wil;

29

Want de genadegiften en de roeping Gods zijn 38onberouwelijk.

30

Want gelijkerwijs ook 39gijlieden 40eertijds Gode 41ongehoorzaam geweest zijt, maar nu 42barmhartigheid verkregen hebt 43door de ongehoorzaamheid van dezen,

31

Alzo zijn ook dezen 44nu ongehoorzaam geweest, opdat ook zij 45door uw barmhartigheid zouden 46barmhartigheid verkrijgen.

32

qWant God heeft hen 47allen onder de ongehoorzaamheid 48besloten, opdat Hij hun 49allen zou barmhartig zijn.

33

50O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis 51Gods! rHoe ondoorzoekelijk zijn 52Zijn oordelen, en onnaspeurlijk 53Zijn wegen!

34

sWant wie heeft 54den zin des Heeren gekend? Of wie is Zijn 55raadsman geweest?

35

tOf wie heeft Hem 56eerst gegeven, en het zal hem 57wedervergolden worden?

36

vWant 58uit Hem, en 59door Hem, en 60tot Hem zijn 61alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. 62Amen.