HET *BOEK DERPSALMEN

PSALM 57.

David voor Saul vluchtende, bidt God om genade en bescherming, waarvan hij zich ook verzekert, en beschrijvende de bitterheid zijner vijanden, voorzegt hun val en is bereid om God te loven.

Gebed om hulp
1

EEN 1gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, 2Altáscheth; aals hij voor Sauls aangezicht vlood in de spelonk.

2

Zijt mij genadig, o God, zijt mij genadig; want mijn ziel 3betrouwt op U en ik neem mijn toevlucht onder de schaduw 4Uwer vleugelen, totdat de 5verdervingen zullen voorbij zijn gegaan.

3

Ik zal roepen tot God, den Allerhoogste, tot God, Die het aan mij 6voleinden zal.

4

Hij zal van den hemel 7zenden en mij verlossen, 8te schande makende dengene die mij 9zoekt op te slokken. 10Sela. God zal Zijn goedertierenheid en Zijn 11waarheid zenden.

5

Mijn 12ziel is in het midden der leeuwen, ik lig onder 13stokebranden, mensenkinderen welker tanden 14spiesen en pijlen zijn; en hun tong een 15scherp zwaard.

6

b16Verhef U boven de hemelen, o God; Uw eer zij over de ganse aarde.

7

Zij hebben een net bereid voor mijn gangen, 17mijn ziel was nedergebukt; czij hebben een kuil voor mijn aangezicht gegraven; zij zijn ermiddenin gevallen. Sela.

8

dMijn hart is 18bereid, o God, mijn hart is bereid; ik zal zingen en psalmzingen.

9

Waak op, mijn 19eer; waak op, gij luit en harp; ik zal in den dageraad opwaken.

10

eIk zal U loven onder de volken, o Heere, ik zal U psalmzingen onder de natiën.

11

fWant Uw goedertierenheid is groot tot aan de hemelen, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken.

12

20Verhef U boven de hemelen, o God; Uw eer zij over de ganse aarde.