DE EERSTE ZENDBRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUSAAN DIE VANKORINTHE

HOOFDSTUK 7.

1 De apostel beantwoordt een voorgestelde vraag, of het goed is een vrouw te nemen. 3 Den getrouwden gebiedt hij zich van elkander niet te onthouden. 5 Tenware met onderlinge bewilliging voor een tijd, om zich tot vasten en bidden te begeven. 8 Verklaart voorts aan de ongetrouwden en weduwen, dat het goed is ongetrouwd te blijven, namelijk voor zodanigen die de gave daartoe hebben, maar niet voor anderen. 10 Beveelt den getrouwden dat zij niet zullen scheiden. 12 Zelfs niet de gelovigen van de ongelovigen, zo dezelve tevreden zijn bij de gelovigen te blijven. 15 Maar zo de ongelovigen willen scheiden, betuigt hij dat de gelovigen alsdan niet zijn verbonden. 18 Verklaart verder, dat elk met zijn staat waarin hij tot Christus geroepen is, moet tevreden zijn, zowel besnedenen als onbesnedenen. 21 Zowel dienstknechten als vrijen. 25 Spreekt daarna van de maagden, die onder eens anders macht staan, en toont in wat geval het goed is die uit te geven of niet. 29 Voegt daarbij een algemene vermaning, hoe het huwelijk en andere zaken dezer wereld moeten gebruikt worden. 32 En wat voordeel de ongetrouwden boven de getrouwden hebben om den Heere wel aan te hangen. 36 Alzo nochtans dat zij niet zondigen die hun maagden ten huwelijk geven. 39 En verklaart wederom dat de getrouwden aan elkander verbonden zijn, zolang zij leven.

Huwelijksvragen
1

AANGAANDE nu de dingen waarvan gij mij geschreven hebt: Het is 1een mens 2goed geen vrouw 3aan te raken;

2

Maar om 4der hoererijen wil zal een iegelijk man5zijn eigen vrouw hebben, en een iegelijke vrouw zal haar eigen man hebben.

3

aDe man zal aan de vrouw 6de schuldige goedwilligheid betalen, en desgelijks ook de vrouw aan den man.

4

De vrouw heeft 7de macht niet over haar eigen lichaam, maar de man; en desgelijks ook de man heeft de macht niet over zijn eigen lichaam, maar de vrouw.

5

bOnttrekt u elkander niet, tenzij dan met beider toestemming voor een tijd, opdat gij u tot vasten en 8bidden moogt verledigen; en komt wederom bijeen, opdat u de satan 9niet verzoeke, omdat gij u niet kunt onthouden.

6

10Doch dit zeg ik uit toelating, niet uit bevel.

7

cWant 11ik wilde dat alle mensen waren gelijk als ik zelf ben; dmaar een iegelijk heeft zijn eigen gave van God, de een wel aldus, maar de ander alzo.

8

Doch ik zeg 12den ongetrouwden en den weduwen: Het is hun 13goed indien zij blijven gelijk als ik.

9

eMaar indien zij zich niet kunnen onthouden, dat zij trouwen; want het is beter te trouwen 14dan te branden.

Over echtscheiding
10

Doch den getrouwden gebied 15niet ik, maar de Heere, fdat de vrouw van den man niet scheide;

11

En 16indien zij ook scheidt, 17dat zij ongetrouwd blijve, of met den man verzoene; en dat de man de vrouw niet verlate.

12

Maar 18den anderen zeg 19ik, 20niet de Heere: Indien enig broeder een 21ongelovige vrouw heeft, en dezelve tevreden is 22bij hem te wonen, dat hij haar niet verlate;

13

En een vrouw die een ongelovigen man heeft, en hij tevreden is bij haar te wonen, dat zij hem niet verlate.

14

Want de ongelovige man 23is geheiligd door de vrouw, en de ongelovige vrouw is geheiligd door den man; want anders 24waren uw kinderen onrein, maar nu 25zijn zij heilig.

15

Maar indien de ongelovige 26scheidt, dat hij scheide; de broeder of de zuster wordt 27in zodanige gevallen niet 28dienstbaar gemaakt; maar God heeft ons 29tot vrede geroepen.

16

gWant wat weet 30gij, vrouw, of gij den man 31zult zalig maken? Of wat weet gij, man, of gij de vrouw zult zalig maken?

Blijven in de beroeping waarin men geroepen is
17

32Doch gelijk God aan een iegelijk heeft uitgedeeld, gelijk de Heere een iegelijk geroepen heeft, dat hij alzo wandele; en alzo ordineer ik in al de gemeenten.

18

Is iemand besneden zijnde geroepen? Die late zich 33geen voorhuid aantrekken. Is iemand 34in de voorhuid zijnde geroepen? Die late zich niet besnijden.

19

De besnijdenis 35is niets, en de voorhuid is niets, maar de onderhouding der geboden Gods.

20

hEen iegelijk 36blijve in die beroeping waar hij in geroepen is.

21

Zijt gij een dienstknecht zijnde geroepen? 37Laat u dat niet bekommeren; maar indien gij ook 38kunt vrij worden, gebruik dat liever.

22

Want die in den Heere 39geroepen is, een dienstknecht zijnde, die is 40een vrijgelatene des Heeren; desgelijks ook die 41vrij zijnde geroepen is, die is 42een dienstknecht van Christus.

23

iGij zijt 43duur gekocht; wordt 44geen dienstknechten der mensen.

24

Een iegelijk, waarin hij geroepen is, broeders, die blijve in hetzelve 45bij God.

Redenen om ongehuwd te blijven
25

Aangaande nu de maagden heb ik 46geen bevel des Heeren; maar ik 47zeg mijn gevoelen, als die barmhartigheid van den Heere gekregen heb om 48getrouw te zijn.

26

Ik houd dan dit 49goed te zijn om den 50aanstaanden nood, dat het, zeg ik, den mens goed is 51alzo te zijn.

27

Zijt gij aan een vrouw verbonden? 52Zoek geen ontbinding. Zijt gij ongebonden van een vrouw? Zoek geen vrouw.

28

Maar indien gij ook trouwt, gij zondigt niet; en indien een maagd trouwt, zij zondigt niet. Doch dezulken zullen 53verdrukking hebben 54in het vlees; 55en ik spaar ulieden.

29

Maar dit zeg ik, broeders, dat 56de tijd voorts kort is; opdat ook die vrouwen hebben, zouden zijn 57als niet hebbende;

30

En 58die wenen, als niet wenende; en 59die blijde zijn, als niet blijde zijnde; en die kopen, 60als niet bezittende;

31

En die deze wereld gebruiken, als niet misbruikende; kwant 61de gedaante dezer wereld gaat voorbij.

32

En 62ik wil dat gij zonder bekommernis zijt. lDe ongetrouwde 63bekommert zich met de dingen des Heeren, hoe hij den Heere zal behagen;

33

Maar die getrouwd is, 64bekommert zich met de dingen 65der wereld, hoe hij 66de vrouw zal behagen.

34

Een vrouw en een maagd zijn onderscheiden. De ongetrouwde bekommert zich met de dingen des Heeren, opdat zij heilig zij, beide aan lichaam en aan geest; maar die getrouwd is, bekommert zich met de dingen der wereld, hoe zij den man zal behagen.

35

En dit zeg ik 67tot uw eigen voordeel, niet opdat ik 68een strik over u zou werpen, maar om u te leiden tot hetgeen welvoegt en bekwaam is om den Heere wel aan te hangen, zonder 69herwaarts en derwaarts getrokken te worden.

36

Maar zo iemand 70acht dat hij 71ongevoeglijk handelt met zijn maagd, indien zij over den jeugdigen tijd gaat, en het 72alzo moet geschieden, die doe wat hij wil, hij zondigt niet; dat zij trouwen.

37

Doch die vast staat in zijn hart, 73geen noodzaak hebbende, maar macht heeft over zijn eigen wil, en dit in zijn hart besloten heeft, dat hij zijn maagd 74zal bewaren, die doet wel.

38

Alzo dan, die haar ten huwelijk uitgeeft, die doet wel; en die haar ten huwelijk niet uitgeeft, 75die doet beter.

39

mEen vrouw is door 76de wet verbonden zo langen tijd 77haar man leeft; maar indien haar man ontslapen is, zo is zij vrij om te trouwen dien zij wil, alleenlijk 78in den Heere.

40

Maar zij is 79gelukkiger indien zij alzo blijft, naar mijn gevoelen. En 80ik meen ook nden Geest Gods te hebben.