HET DERDE BOEK VANMOZES,GENAAMDLEVITICUS

HOOFDSTUK 16.

God beveelt den overpriester in het heiligdom te gaan om een algemene verzoening te doen, vs. 1, enz. Met een bericht wanneer en waarmede hij dat doen zal, 3. En naar wat orde in het offeren, en het bedienen van andere ceremoniën, die hier in het lange beschreven worden, 6. Waarbij dan komt een voorschrift van den schuldigen plicht van het gehele volk, 29. Met het besluit van dit hoofdstuk, 34.

De grote verzoendag
1

EN de HEERE sprak tot Mozes, anadat de 1twee zonen van Aäron gestorven waren; als zij genaderd waren voor het aangezicht des HEEREN en gestorven waren.

2

De HEERE dan zeide tot Mozes: Spreek tot uw broeder Aäron, bdat hij niet te allen tijde ga in het 2heilige, binnen den 3voorhang, voor het 4verzoendeksel dat op de ark is, opdat hij niet sterve; want Ik 5verschijn in een wolk op het verzoendeksel.

3

Hiermede zal Aäron in het heilige gaan: met 6een var, 7een jong rund ten zondoffer en een ram ten brandoffer.

4

Hij zal den 8heiligen linnen rok aandoen en een linnen onderbroek zal aan zijn vlees zijn en met een linnen gordel zal hij zich gorden en met den linnen hoed bedekken; dit zijn 9heilige klederen; daarom zal hij zijn vlees met water baden, als hij ze zal aandoen.

5

En van de vergadering der kinderen Israëls zal hij nemen twee geitenbokken ten zondoffer, en één ram ten brandoffer.

6

Daarna zal Aäron den var des zondoffers die voor hem zal zijn, offeren, en zal cvoor zich en voor zijn 10huis verzoening doen.

7

Hij zal ook beide de bokken nemen, en hij zal die stellen voor het aangezicht des HEEREN, aan de deur van de tent der samenkomst.

8

En Aäron zal de loten over die twee bokken 11werpen: één lot voor den HEERE en één lot voor 12den weggaanden bok.

9

Dan zal Aäron den bok op denwelken het lot voor den HEERE zal gekomen zijn, toebrengen, en zal hem ten zondoffer maken.

10

Maar de bok op denwelken het lot zal gekomen zijn om een weggaande bok te zijn, zal levend voor het aangezicht des HEEREN gesteld worden, om 13door hem verzoening te doen; opdat men hem 14als een weggaanden bok naar de woestijn uitlate.

11

Aäron dan zal den var des zondoffers die voor hemzelven zal zijn, toebrengen en voor zichzelven en voor zijn huis verzoening doen, en zal den var des zondoffers die voor hemzelven zal zijn, slachten.

12

Hij zal ook een wierookvat 15vol 16vurige kolen nemen van het altaar, van voor het aangezicht des HEEREN, en zijn 17handen vol 18reukwerk van welriekende specerijen, kleingestoten; en hij zal het binnen den 19voorhang dragen.

13

En hij zal dat reukwerk op het vuur leggen voor het aangezicht des HEEREN, opdat de 20nevel des reukwerks het verzoendeksel hetwelk is op de getuigenis, 21bedekke, en dat hij niet sterve.

14

dEn hij zal van het bloed van den var nemen en zal met zijn vinger 22op het verzoendeksel oostwaarts sprengen; en vóór het verzoendeksel zal hij zevenmaal met zijn vinger van dat bloed sprengen.

15

Daarna zal hij den bok des zondoffers die voor het volk zal zijn, slachten en zal zijn bloed tot binnen in den voorhang dragen, en zal met zijn bloed doen, gelijk als hij met het bloed van den var gedaan heeft, en zal dat sprengen op het verzoendeksel en vóór het verzoendeksel.

16

Zo zal hij voor 23het heilige, vanwege de onreinheden der kinderen Israëls en vanwege hun overtredingen, naar al hun zonden, verzoening doen; en alzo zal hij doen aan de tent der samenkomst, welke met hen 24woont in het midden hunner onreinheden.

17

En geen mens zal in de tent der samenkomst zijn, als 25hij zal ingaan om in 26het heilige verzoening te doen, totdat hij zal uitkomen; alzo zal hij verzoening doen voor zichzelven en voor zijn huis en voor de gehele gemeente Israëls.

18

Daarna zal hij tot het 27altaar dat voor het aangezicht des HEEREN is, 28uitkomen en verzoening voor hetzelve doen; en hij zal van het bloed van den var en van het bloed van den bok nemen en het 29doen rondom op de hoornen des altaars.

19

En hij zal daarop van dat bloed met zijn vinger zevenmaal sprengen; en hij zal 30dat reinigen en heiligen van de onreinheden der kinderen Israëls.

20

Als hij nu zal geëindigd hebben van het heilige en de tent der samenkomst en het altaar te verzoenen, zo zal hij dien levenden bok 31toebrengen.

21

En Aäron zal beide zijn handen op het hoofd van den levenden bok 32leggen, en zal daarop al de ongerechtigheden der kinderen Israëls en al hun overtredingen, naar al hun zonden, belijden; en hij zal die op het hoofd van den bok leggen en zal hem door de hand eens mans 33die voorhanden is, naar de woestijn uitlaten.

22

Alzo zal die bok op zich al hun ongerechtigheden in een 34afgezonderd land wegdragen; en 35hij zal dien bok in de woestijn uitlaten.

23

Daarna zal Aäron komen in de tent der samenkomst en zal de linnen klederen uitdoen, die hij aangedaan had, als hij in het heilige ging, en hij zal ze daar laten.

24

En hij zal zijn vlees in de 36heilige plaats met 37water baden en zijn klederen aandoen; dan zal hij uitgaan en zijn brandoffer en het brandoffer des volks bereiden en voor zich en voor het volk verzoening doen.

25

Ook zal hij het vet des zondoffers op het 38altaar aansteken.

26

En wie den bok 39welke een weggaande bok was, zal uitgelaten hebben, zal zijn klederen wassen en zijn vlees met water baden, en daarna zal hij in het leger komen.

27

Maar eden var des zondoffers en den bok des zondoffers, welker bloed ingebracht is om verzoening te doen 40in het heilige, zal men tot buiten het leger uitvoeren; doch hun vellen, hun vlees en hun mest zullen zij met vuur verbranden.

28

Wie nu dezelve verbrandt, zal zijn klederen wassen en zijn vlees met water baden, en daarna zal hij in het leger komen.

29

En dit zal voor u tot een 41eeuwige inzetting zijn: fgij zult in de 42zevende maand, op den tiende der maand, 43uw zielen 44verootmoedigen en geen werk doen, inboorling noch vreemdeling die in het midden van u als vreemdeling verkeert.

30

Want op dien dag zal 45hij voor u 46verzoening doen om u te reinigen; van al uw zonden zult gij voor het aangezicht des HEEREN gereinigd worden.

31

Dat zal u een sabbat der rust zijn, opdat gij uw zielen verootmoedigt; het is een 47eeuwige inzetting.

32

En de 48priester dien men gezalfd en 49wiens hand men gevuld zal hebben om voor zijn vader het priesterambt te bedienen, zal de verzoening doen; als hij de linnen klederen, de 50heilige klederen, zal aangetrokken hebben,

33

Zo zal hij het 51heilige heiligdom verzoenen, en de tent der samenkomst en het altaar zal hij verzoenen; desgelijks voor de priesters en voor al het volk der gemeente zal hij verzoening doen.

34

En dit zal u tot een eeuwige inzetting zijn, om voor de kinderen Israëls van al hun zonden geenmaal des jaars verzoening te doen. En men deed gelijk als de HEERE Mozes geboden had.