1DE HANDELINGENDER HEILIGE APOSTELEN,BESCHREVEN DOOR 2LUKAS

HOOFDSTUK 25.

1 Festus komt in de plaats van Felix, van welken de hogepriester en Joodse Raad verzoeken, dat hij Paulus wilde naar Jeruzalem doen komen, menende hem onderweg te doden. 4 Maar Festus wil dat zij voor hem te Cesarea verschijnen. 7 Hetwelk zij doen, en beschuldigen hem zwaarlijk, doch zonder bewijs. 9 Paulus merkende dat Festus genegen was om hem naar Jeruzalem te zenden, beroept zich op den keizer. 13 De koning Agrippa en Bernice komen te Cesarea, dien Festus de zaak van Paulus verhaalt. 22 Agrippa begeert hem te mogen horen, hetwelk geschiedt des anderen daags. 24 En Festus verhaalt verder wat hij in de zaak van Paulus gedaan, en hoe hij in hem geen schuld gevonden had.

Voor Festus
1

FESTUS dan in de 1provincie gekomen zijnde, ging na drie dagen van 2Cesaréa op naar 3Jeruzalem.

2

En de hogepriester en 4de voornaamsten 5der Joden verschenen voor hem tegen Paulus, en baden hem,

3

Begerende gunst tegen 6hem, opdat hij hem zou doen komen te Jeruzalem; en leggende een lage om hem op den weg om te brengen.

4

Doch Festus antwoordde dat Paulus te Cesaréa bewaard werd, en dat hij zelf haast 7derwaarts zou verreizen.

5

Die dan, zeide hij, onder u kunnen, dat zij 8medeafreizen, en zo er iets onbehoorlijks in dezen man is, dat zij hem beschuldigen.

6

En als hij onder hen 9niet meer dan tien dagen overgebracht had, kwam hij af naar Cesaréa; en des anderen daags op den rechterstoel gezeten zijnde, beval hij dat Paulus zou voorgebracht worden.

7

En als hij daar gekomen was, stonden de Joden die van Jeruzalem afgekomen waren, rondom hem, 10vele en zware beschuldigingen tegen Paulus voorbrengende, die zij niet konden bewijzen;

8

Dewijl hij zich verantwoordende, zeide: aIk heb noch tegen de wet der Joden, noch tegen den tempel, noch tegen den keizer iets gezondigd.

9

Maar Festus willende den Joden 11gunst bewijzen, antwoordde Paulus en zeide: Wilt gij naar Jeruzalem opgaan, en aldaar 12voor mij over deze dingen geoordeeld worden?

10

En Paulus zeide: Ik sta voor den rechterstoel 13des keizers, waar ik geoordeeld 14moet worden. Den Joden heb ik geen onrecht gedaan, 15gelijk gij ook zeer wel weet.

11

bWant indien ik onrecht doe, en iets des doods waardig gedaan heb, ik weiger niet te sterven; maar indien er niets is van hetgeen waarvan dezen mij beschuldigen, zo kan niemand mij hun uit gunst overgeven. 16Ik beroep mij op den keizer.

12

Toen antwoordde Festus, als hij 17met den raad gesproken had: Hebt gij u op den keizer beroepen? Gij zult tot den keizer gaan.

Festus raadpleegt Agrippa
13

En als enige dagen voorbijgegaan waren, kwamen de koning 18Agrippa en 19Berníce te Cesaréa om Festus 20te begroeten.

14

En toen zij aldaar vele dagen overgebracht hadden, heeft Festus de zaken van Paulus aan den koning verhaald, zeggende: cHier is een zeker man van Felix gevangen gelaten;

15

Om wiens wil, als ik te Jeruzalem was, de overpriesters en de ouderlingen der Joden verschenen, begerende 21vonnis tegen hem;

16

Aan dewelke ik antwoordde dat de Romeinen de gewoonte niet hebben denig mens 22uit gunst 23ter dood over te geven, eer de beschuldigde de beschuldigers 24tegenwoordig heeft, en plaats van verantwoording gekregen heeft over de beschuldiging.

17

Als zij dan gezamenlijk alhier gekomen waren, zo ben ik, geen uitstel 25nemende, des daags daaraan op den rechterstoel gezeten, en beval dat de man zou voorgebracht worden;

18

Over welken de beschuldigers, hier staande, geen 26zaak hebben voorgebracht waarvan ik vermoedde,

19

Maar hadden tegen hem enige 27vragen van hun 28godsdienst, en van zekeren Jezus Die gestorven was, Welken Paulus zeide te leven.

20

En als ik over de onderzoeking van deze zaak 29in twijfeling was, zeide ik, of hij wilde gaan naar Jeruzalem, en aldaar over deze dingen geoordeeld worden.

21

En als Paulus zich beriep, dat men hem tot de kennis 30des keizers bewaren zou, zo heb ik bevolen dat hij bewaard zou worden tot den tijd toe dat ik hem tot den keizer zenden zou.

22

En Agrippa zeide tot Festus: Ik wilde ook zelf dien mens wel horen. En hij zeide: Morgen zult gij hem horen.

Voor Agrippa
23

Des anderen daags dan, als Agrippa gekomen was en Berníce met grote 31pracht, en als zij ingegaan waren in het 32rechthuis met de oversten over duizend en de mannen die de voornaamsten der stad waren, werd Paulus door Festus' bevel voorgebracht.

24

En Festus zeide: Koning Agrippa en gij mannen allen, die met ons hier tegenwoordig zijt, gij ziet dezen, van welken mij de ganse menigte der Joden heeft aangesproken, beide te Jeruzalem en hier, roepende dat hij niet meer behoort te leven.

25

Maar ik bevonden hebbende edat hij niets des doods waardig gedaan had, en dewijl hij ook zelf zich op den keizer beroepen heeft, heb besloten hem te zenden.

26

Van welken ik niets zekers heb aan 33den heer te schrijven; daarom heb ik hem voor ulieden voorgebracht, en meest voor u, koning Agrippa, opdat ik, na gedane onderzoeking, wat heb te schrijven.

27

Want het dunkt mij tegen rede, een gevangene te zenden, en niet ook de beschuldigingen die tegen hem zijn, te kennen te geven.