HET EERSTE BOEK DERKRONIEKEN

HOOFDSTUK 20.

Zie den inhoud van dit hoofdstuk 2 Sam. 11:1; 12:26; hoofdstuk 21.

David verovert Rabba
1

HET 1 geschiedde nu ten tijde van de wederkomst des jaars, ten tijde als de koningen 2uittrokken, zo voerde Joab de heirkracht en hij verdierf het land der kinderen Ammons, en hij kwam en belegerde 3Rabba; maar David bleef te Jeruzalem. En Joab sloeg Rabba en 4verwoestte ze.

2

5En David nam de kroon huns konings van zijn hoofd, en hij bevond haar in gewicht een talent goud, en daar was edelgesteente aan, en zij werd op Davids hoofd gezet; 6en hij voerde zeer veel roof uit de stad.

3

Hij voerde ook het volk uit dat daarin was, en ahij zaagde hen met de zaag en met ijzeren dorswagens 7en met bijlen; en alzo deed David aan al de steden der kinderen Ammons. Toen keerde David weder met al het volk naar Jeruzalem.

Overwinningen op de Filistijnen
4

En het geschiedde daarna, als de krijg met de Filistijnen te 8Gezer opstond, toen sloeg Síbbechai, de Husathiet, 9Sippai, die van de kinderen van 10Rafa was, en 11zij werden ten onder gebracht.

5

Daarna was er nog een krijg tegen de Filistijnen, en Elhanan, de zoon van 12Jaïr, versloeg Lachmi, den broeder van Goliath, den Gethiet, wiens spieshout was als een weversboom.

6

Daarna was er nog een krijg te Gath; en daar was 13een zeer lang man, en 14zijn vingers waren zes en zes, vier en twintig, en hij was ook aan Rafa geboren.

7

En 15hij hoonde Israël; maar Jónathan, de zoon van 16Símea, den broeder van David, versloeg hem.

8

Dezen waren Rafa geboren te Gath; en 17zij vielen door de hand van David en door de hand zijner knechten.