HET EERSTE BOEK VANSAMUËL

HOOFDSTUK 21.

David vluchtende voor Saul, komt te Nob bij den priester Achimelech, vs. 1, enz. Hij gelaat zich alsof Saul hem gezonden had om een heimelijke zaak te verrichten, 2. Hij eist brood, 3. Achimelech geeft hem de toonbroden, 4. Dit ziet Doëg, 7. David verzoekt geweer, 8. Achimelech geeft hem Goliaths zwaard, 9. David vlucht en komt tot Achis, 10. Hij is den vorsten van Achis niet welkom, 11. David is in grote vrees, 12. Hij verandert zijn gelaat en stelt zich aan alsof hij gek was, 13. Achis neemt het kwalijk dat men een gek mens tot hem gebracht had, 14.

Achimélech helpt David
1

TOEN kwam David te 1Nob tot den priester Achimélech; en Achimélech 2kwam bevende David tegemoet en hij zeide tot hem: Waarom zijt gij 3alleen en geen man met u?

2

En David zeide tot den priester Achimélech: De 4koning heeft mij een zaak bevolen en zeide tot mij: Laat niemand iets van de zaak weten om dewelke ik u gezonden heb en die ik u geboden heb; 5den jongelingen nu heb ik de plaats van 6zulk een te kennen gegeven.

3

En nu, 7wat is er onder uw hand? Geef mij vijf broden in mijn hand of wat er gevonden wordt.

4

En de priester antwoordde David en zeide: Er is geen 8gemeen brood onder mijn hand; 9maar er is 10heilig brood, wanneer zich de jongelingen slechts van 11de vrouwen onthouden hebben 12.

5

David nu antwoordde den priester en zeide tot hem: Ja trouwens, de vrouwen zijn ons onthouden geweest 13gisteren en eergisteren, toen ik uitging, en de 14vaten der jongelingen zijn heilig; en het is 15enigerwijze gemeen brood, te meer dewijl heden ander in de 16vaten zal geheiligd worden.

6

Toen agaf de priester hem dat heilige brood, dewijl er geen brood was dan de toonbroden die van voor het aangezicht des HEEREN weggenomen waren, dat men er 17warm brood legde, ten 18dage als dat weggenomen werd.

7

Daar was nu een man van de knechten van Saul te dienzelven dage 19opgehouden 20voor het aangezicht des HEEREN, en zijn naam was Doëg, een 21Edomiet, de machtigste onder de herders die Saul had.

8

En David zeide tot Achimélech: Is hier onder uw hand geen spies of zwaard? Want ik heb noch mijn zwaard, noch ook mijn wapenen in mijn hand genomen, dewijl de zaak des konings haastig was.

9

Toen zeide de priester: Het zwaard van Goliath, den Filistijn, denwelken gij sloegt in het Eikendal, zie, dat is hier, gewonden in een kleed, 22achter den efod; indien gij u dat nemen wilt, zo neem het, want hier is geen ander dan dat. David nu zeide: Er is zijns gelijke niet; geef het mij.

David bij koning Achis
10

En David maakte zich op en vluchtte te dien dage van het aangezicht van Saul; en hij kwam tot 23Achis, den koning van Gath 24.

11

Doch de knechten van Achis zeiden tot hem: Is deze niet David, 25de koning des lands? Zong men niet van dezen in de reien, zeggende: bSaul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden?

12

En David legde deze woorden in zijn hart, en 26hij was zeer bevreesd voor het aangezicht van Achis, den koning van Gath.

13

Daarom veranderde hij 27zijn gelaat voor hun ogen en hij maakte zichzelven gek 28onder hun handen; en 29hij bekrabbelde de deuren der poort en hij liet zijn zever in zijn baard aflopen.

14

Toen zeide Achis tot zijn knechten: Zie, gij ziet dat de man razende is; waarom hebt gij hem tot mij gebracht?

15

Heb ik razenden gebrek, dat gij dezen gebracht hebt om 30voor mij te razen? Zal deze in mijn huis komen?