HET HOOGLIEDVAN SÁLOMO

HOOFDSTUK 2.

De waardigheid van Christus, vs. 1. En van Zijn gemeente, 2. De zorg van Christus over Zijn bruid, en de troost dien zij van Hem ontvangt, 3. Een opwekking tot openbare belijdenis van Christus, dewijl de winter der vervolging voorbij was, 11. Waarschuwing voor de heimelijke vijanden der kerk, 15. Onderlinge liefde tussen den Bruidegom en de bruid, 16.

De stem mijns Liefsten
1

IK 1 ben 2een Roos van 3Saron, een Lelie der dalen.

2

4Gelijk een lelie onder 5de doornen, alzo is Mijn vriendin onder de 6dochteren.

3

7Als een appelboom onder 8de bomen des wouds, zo is mijn Liefste 9onder de zonen; ik heb groten lust 10in Zijn schaduw, en zit eronder, en 11Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet.

4

12Hij voert mij 13in het wijnhuis, en 14de liefde 15is Zijn banier over mij.

5

16Ondersteunt gijlieden mij 17met de flessen, 18versterkt mij met de appelen, want 19ik ben krank van liefde.

6

aZijn 20linkerhand zij 21onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand 22omhelze mij.

7

23Ik bezweer u, 24gij dochteren van Jeruzalem, 25die bij de reeën of bij 26de hinden des velds zijt, dat gij de liefde niet opwekt, noch wakker maakt, 27totdat het dezelve luste.

8

28Dat is de stem mijns Liefsten, zie Hem, 29Hij komt, 30springende op de bergen, huppelende op de heuvelen.

9

Mijn Liefste is gelijk een ree of een welp der herten; zie, Hij staat 31achter onzen muur, 32kijkende uit de vensteren, 33blinkende uit 34de traliën.

10

35Mijn Liefste antwoordt en zegt tot mij: Sta op, Mijn vriendin, Mijn schone, en 36kom.

11

Want zie, 37de winter is voorbij; 38de plasregen is over, 39hij is overgegaan.

12

De bloemen 40worden gezien in het land, 41de zangtijd genaakt, en de stem der tortelduif wordt gehoord in ons land.

13

42De vijgenboom brengt zijn 43jonge vijgjes voort, en 44de wijnstokken 45geven reuk met hun jonge 46druifjes. Sta op, Mijn vriendin, Mijn schone, en 47kom.

14

48Mijn duive, 49zijnde in de kloven der steenrots, 50in het verborgene ener steile plaats, 51toon Mij uw gedaante, doe Mij 52uw stem horen; bwant uw stem 53is zoet en uw gedaante is lieflijk.

15

54Vangt gijlieden ons 55de cvossen, de kleine vossen, die de wijngaarden verderven; want onze wijngaarden hebben 56jonge druifjes.

16

57Mijn Liefste is mijne, en ik ben Zijne, 58Die weidt onder de leliën;

17

dTotdat 59de dag 60aankomt en 61de schaduwen vlieden; 62keer om, mijn Liefste, 63word Gij gelijk een ree of een welp der herten, op de bergen van 64Bether.