DE PROFEETJESAJA

HOOFDSTUK 22.

Profetie dat het Joodse land van de Assyriërs zou overweldigd en verdorven worden; de bangheid daaruit ontstaande, vss. 1, 2, enz. Hoe de Assyriërs in het Joodse land zouden huishouden, 5, enz. Wat de Joden doen zouden, 9. Waarom God hen alzo zou straffen, 12. Sebna wordt bestraft en gedreigd vanwege zijn hovaardij, 15. Eljakim wordt in zijn plaats gezet, 20. Wiens heerlijkheid verhaald wordt, 21, enz.

Profetie over Jeruzalem
1

DE 1 last van 2het dal des gezichts.
3Wat is u nu, 4dat gij altegader op de daken klimt?

2

5Gij die vol van groot gedruis waart, gij woelige stad, gij vrolijk huppelende stad; 6uw 7verslagenen zijn niet verslagen met het zwaard, noch gestorven in den strijd.

3

Al uw oversten zijn tezamen 8weggevlucht, zij zijn van de 9schutters gebonden; 10allen die in u gevonden zijn, zijn samengebonden, 11zij zijn van verre gevloden.

4

Daarom zeg ik: 12Wendt het gezicht van mij af, a13laat mij bitterlijk wenen; 14dringt niet aan om mij te troosten over de verstoring 15der dochter mijns volks.

5

Want het is een dag 16van beroering en van vertreding en van verwarring 17van den Heere, den HEERE der heirscharen, in 18het dal des gezichts, 19een dag van ontmuring 20des muurs en 21van geschreeuw naar het gebergte toe.

6

Want 22Elam heeft den pijlkoker genomen, 23de man is op den wagen, er zijn ruiters; en 24Kir 25ontbloot het schild.

7

En het zal geschieden dat 26uw 27uitgelezen dalen vol wagens zullen zijn, en dat de ruiters zich 28gewisselijk zullen zetten 29ter poorte aan.

8

En 30hij 31zal 32het deksel van Juda ontdekken; en te dien dage zult 33gij 34zien naar de wapenen 35in het huis des wouds.

9

En gijlieden zult 36bezien de reten 37der stad Davids, omdat zij vele zijn; en gij zult de wateren des 38ondersten vijvers vergaderen.

10

Gij zult ook 39de huizen van Jeruzalem tellen, en gij zult huizen afbreken om de muren te bevestigen.

11

Ook zult gij een 40gracht maken 41tussen beide de muren, voor de wateren 42des ouden vijvers; maar gij zult niet 43opwaarts zien op Dien Die zulks gedaan heeft, noch aanmerken Dien Die dat van verre tijden geformeerd heeft.

12

En 44te dien dage zal de Heere, de HEERE der heirscharen, 45roepen tot geween en tot rouwklage en 46tot kaalheid en tot omgording des zaks.

13

Maar zie, ber is vreugde en blijdschap met runderen te doden en schapen te kelen, vlees te eten en wijn te drinken, en te zeggen: c47Laat ons eten en drinken, 48want morgen zullen wij sterven.

14

49Maar de HEERE der heirscharen heeft Zich voor mijn oren geopenbaard, zeggende: 50Indien ulieden deze ongerechtigheid verzoend wordt 51totdat gij sterft! zegt de Heere, de HEERE der heirscharen.

Profetie over Sebna en Eljakim
15

Alzo zegt de Heere, de HEERE der heirscharen: Ga heen, ga in tot dien 52schatmeester, tot 53Sebna, 54den hofmeester, en spreek:

16

55Wat hebt gij 56hier of wien hebt gij hier, dat gij u hier een graf 57uitgehouwen hebt, als die zijn graf in de hoogte uithouwt, die een woning voor zich op een rotssteen laat aftekenen.

17

Zie, de HEERE zal u wegwerpen met een mannelijke wegwerping, en 58Hij zal u ganselijk overdekken.

18

59Hij 60zal u gewisselijk voortrollen, gelijk men een bal rolt, 61in een land, wijd van ruimte; aldaar zult gij sterven en aldaar zullen 62uw heerlijke wagens zijn, 63o gij schandvlek van het huis uws heren.

19

En 64Ik zal u afstoten van uw staat, en van uw stand zal 65hij u 66verstoren.

20

En het zal te dien dage geschieden, dat Ik Mijn knecht dEljakim, den zoon van Hilkía, roepen zal.

21

En Ik zal hem 67met uw rok bekleden en Ik zal hem met uw 68gordel 69sterken, en uw 70heerschappij zal Ik in zijn hand geven; en hij zal den inwoners te Jeruzalem en het huis van Juda tot een vader zijn.

22

En Ik zal 71den sleutel van Davids huis op zijn schouder 72leggen; en 73hij zal opendoen en niemand zal sluiten, en hij zal sluiten en niemand zal opendoen.

23

En Ik zal hem 74als een nagel inslaan in een vaste plaats, en hij zal wezen 75tot een stoel der ere voor het huis zijns vaders.

24

En men zal 76aan hem hangen alle heerlijkheid van het huis zijns vaders, 77der uitspruitelingen 78en der afkomelingen, ook79alle kleine vaten, van de vaten der bekers af, zelfs tot al de vaten 80der flessen.

25

Te dien dage, spreekt de HEERE der heirscharen, zal 81die nagel 82die aan een vaste plaats gestoken was, weggenomen worden, en hij zal afgehouwen worden en hij zal vallen, en de last 83die daaraan is, 84zal afgesneden worden; want de HEERE heeft het gesproken.