1DE HANDELINGENDER HEILIGE APOSTELEN,BESCHREVEN DOOR 2LUKAS

HOOFDSTUK 23.

1 Paulus beginnende in den Raad zijn verantwoording, wordt door bevel des hogepriesters geslagen. 3 Waarover hij denzelven ernstiglijk bestraft, niet wetende dat hij de hogepriester was. 6 En alzo een deel van den Raad sadduceeën waren, verklaarde hij dat hij een farizeeër was en om de opstanding uit de doden geoordeeld werd. 7 Waarover de farizeeën en sadduceeën in twist geraken, en hij wordt van de farizeeën onschuldig verklaard. 11 Wordt van den Heere aangesproken en getroost. 12 Veertig mannen verbinden zichzelven met een vloek, niet te zullen eten noch drinken totdat zij hem gedood hebben. 16 Hetwelk Paulus door den zoon zijner zuster verneemt en den overste bekendmaakt. 23 Die hem des nachts, door krijgsknechten geleid zijnde, naar Cesarea tot Felix, den stadhouder, zendt, met een brief, waarin de zaak verhaald wordt. 34 Felix den brief gelezen hebbende, doet Paulus in het rechthuis van Herodes bewaren.

1

EN Paulus de ogen op den Raad houdende, zeide: Mannen broeders, aik heb 1met alle goede consciëntie 2voor God gewandeld tot op dezen dag.

2

bMaar de hogepriester Ananías beval dengenen die bij hem stonden, dat zij hem op den mond zouden slaan.

3

Toen zeide Paulus tot hem: God zal u slaan, 3gij gewitte wand. cZit gij ook om mij te oordelen naar de wet, en beveelt gij 4tegen de wet, dat men mij zal slaan?

4

En die daarbij stonden, zeiden: Scheldt gij den hogepriester Gods?

5

En Paulus zeide: 5Ik wist niet, broeders, dat het de hogepriester was; want er is geschreven: dDen overste uws volks zult gij niet 6vloeken.

6

En Paulus wetende dat het ene deel was 7van de sadduceeën en het andere van de farizeeën, riep in den Raad: Mannen broeders, eik ben 8een farizeeër, eens farizeeërs zoon; ik word over 9de hoop en opstanding der doden 10geoordeeld.

7

En als hij dit gesproken had, ontstond er 11tweedracht tussen de farizeeën en de sadduceeën, en 12de menigte werd 13verdeeld.

8

fWant de sadduceeën zeggen dat er geen opstanding is, noch engel, noch 14geest, maar de farizeeën belijden het 15beide.

9

En er geschiedde een groot geroep; en de schriftgeleerden 16van de zijde der farizeeën stonden op en streden, zeggende: gWij vinden geen kwaad in dezen mens; en indien een geest tot hem gesproken heeft of een engel, laat ons tegen God niet strijden.

10

En als er grote 17tweedracht ontstaan was, de overste vrezende dat Paulus van hen verscheurd mocht worden, gebood dat het krijgsvolk zou afkomen en hem uit het midden van hen wegrukken en in de legerplaats brengen.

11

hEn den volgenden nacht 18stond de Heere bij hem, en zeide: Heb goeden moed, Paulus; want gelijk gij te Jeruzalem 19van Mij betuigd hebt, alzo moet gij ook te Rome getuigen.

Een samenzwering der Joden
12

iEn als het dag geworden was, maakten sommigen van de Joden een samenrotting, en 20vervloekten zichzelven, zeggende dat zij noch eten noch drinken zouden, totdat zij Paulus zouden gedood hebben.

13

En zij waren meer dan veertig, die dezen eed tezamen gedaan hadden;

14

Dewelke gingen tot de overpriesters en de ouderlingen, en zeiden: Wij hebben onszelven met vervloeking vervloekt, niets te zullen nuttigen totdat wij Paulus zullen gedood hebben.

15

Gij dan nu, laat 21den overste weten 22met den Raad, dat hij hem morgen tot u afbrenge, alsof gij 23nadere kennis zoudt nemen van zijn zaken; en wij zijn bereid hem om te brengen eer hij bij u komt.

16

En als de zoon van Paulus' zuster deze lage gehoord had, kwam hij daar en ging in de legerplaats, en boodschapte het Paulus.

17

En Paulus riep tot zich een van de hoofdmannen over honderd, en zeide: Leid dezen jongeling heen tot den overste; want hij heeft hem wat te boodschappen.

18

Deze dan nam hem en bracht hem tot den overste, en zeide: Paulus, de gevangene, heeft mij tot zich geroepen, en begeerd dat ik dezen jongeling tot u zou brengen, die u wat heeft te zeggen.

19

De overste nu nam hem bij de hand, en bezijden gegaan zijnde, vraagde hij: Wat is het dat gij mij hebt te boodschappen?

20

En hij zeide: 24De Joden zijn kovereengekomen om van u te begeren, dat gij Paulus morgen in den Raad zoudt afbrengen, alsof zij iets van hem nader zouden onderzoeken.

21

Doch 25geloof hen niet; want meer dan veertig mannen uit hen leggen hem lagen, welke zichzelven 26met een vervloeking verbonden hebben noch te eten noch te drinken, totdat zij hem zullen omgebracht hebben; en zij zijn nu gereed, verwachtende 27de toezegging van u.

22

De overste dan liet den jongeling gaan, hem gebiedende: Zeg niemand voort, dat gij mij zulks geopenbaard hebt.

Overgebracht naar Cesaréa
23

En zekere twee van de hoofdmannen over honderd tot zich geroepen hebbende, zeide hij: Maakt tweehonderd krijgsknechten gereed, opdat zij tot 28Cesaréa trekken, en zeventig ruiters, en tweehonderd 29schutters, 30tegen de derde ure des nachts;

24

En laat hen zadelbeesten bestellen, opdat zij Paulus daarop zetten en behouden overbrengen tot den stadhouder 31Felix.

25

En hij schreef een brief, hebbende dezen inhoud:

26

Claudius Lysias aan den 32machtigsten stadhouder Felix groetenis.

27

lAlzo deze man van de Joden gegrepen was, en van hen omgebracht zou geworden zijn, ben ik daarover gekomen met het krijgsvolk, en heb hem hun ontnomen, bericht zijnde dat hij een Romein is.

28

En willende de zaak weten waarover zij hem beschuldigden, bracht ik hem af in hun Raad;

29

Welken ik bevond beschuldigd te worden over 33vragen hunner wet, maar geen beschuldiging tegen hem te zijn die den dood of banden waardig is.

30

En als mij te kennen gegeven was, dat van de Joden een lage tegen dezen man gelegd zou worden, zo heb ik hem terstond aan u gezonden, gebiedende ook den beschuldigers voor u te zeggen hetgeen zij tegen hem hadden. Vaarwel.

31

De krijgsknechten dan, gelijk hun bevolen was, namen Paulus en brachten hem des nachts te 34Antípatris.

32

En des anderen daags, latende de ruiters met hem trekken, keerden zij weder naar de legerplaats.

33

Dewelke als zij te Cesaréa gekomen waren en den brief den stadhouder overgeleverd hadden, hebben zij ook Paulus voor hem gesteld.

34

En de stadhouder den brief gelezen hebbende, vraagde uit wat provincie hij was; en verstaande dat hij van Cilícië was,

35

Zeide hij: Ik zal u 35horen als ook uw beschuldigers hier zullen gekomen zijn. En hij beval dat hij in het 36rechthuis 37van Herodes zou bewaard worden.