HET VIJFDE BOEK VANMOZES,GENAAMDDEUTERONOMIUM

HOOFDSTUK 14.

Verbod van heidensen rouw over doden, vs. 1, enz. Wat gedierte toegelaten of verboden was te eten, 3. Van het opbrengen en gebruik der tienden, 22.

Over heidense rouwgebruiken; over reine en onreine dieren
1

GIJLIEDEN zijt 1kinderen des HEEREN uws Gods; gij zult uzelven niet a2snijden, noch kaalheid maken tussen uw ogen over een dode.

2

Want gij zijt been heilig volk den HEERE uw God, en u heeft de HEERE verkoren om Hem tot een volk des eigendoms te zijn, uit al de volken die 3op den aardbodem zijn.

3

Gij zult geen 4gruwel eten.

4

cDit zijn de beesten die gijlieden eten zult: een os, kleinvee der schapen en kleinvee der geiten;

5

Een hert en een ree en een buffel; en een steenbok en een das en een wilde os en een gems.

6

5Alle beesten die de klauwen verdelen en de kloof in twee klauwen klieven en herkauwen onder de beesten, die zult gij eten.

7

Maar deze zult gij niet eten van degene die alleen herkauwen, of van degene die den gekloofden klauw alleen verdelen: den kemel en den haas en het konijn; want deze herkauwen wel, maar zij verdelen den klauw niet; onrein zullen zij ulieden zijn.

8

Ook het varken, want dat verdeelt zijn klauw wel, maar het herkauwt niet; onrein zal het ulieden zijn; van hun vlees zult gij niet eten en hun dood aas zult gij niet aanroeren.

9

Dit zult gij eten van alles wat in de wateren is: al wat vinnen en schubben heeft, zult gij eten.

10

Maar al wat geen vinnen en schubben heeft, zult gij niet eten; het zal ulieden onrein zijn.

11

Allen reinen vogel zult gij eten.

12

Maar deze zijn het van dewelke gij niet zult eten: de arend en de havik en de zeearend,

13

En de wouw en de kraai en de gier naar zijn aard,

14

En alle raaf naar haar aard,

15

En de struis en de nachtuil en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard,

16

En de steenuil en de schuifuit en de kauw,

17

En de roerdomp en de pelikaan en het duikertje,

18

En de ooievaar en de reiger naar zijn aard, en de hop en de vledermuis.

19

Ook al het kruipend gevogelte, dat zal ulieden onrein zijn; zij zullen niet gegeten worden.

20

Al het rein gevogelte zult gij eten.

21

Gij zult geen dood aas eten; den 6vreemdeling die in uw poorten is, zult gij het geven, dat hij het ete, of verkoopt het den vreemde; want gij zijt een heilig volk den HEERE uw God. Gij zult het dbokje niet 7koken in de melk zijner moeder.

De tienden
22

Gij zult 8getrouwelijk vertienden al het inkomen uws zaads, wat 9elk jaar van het veld voortkomt.

23

eEn voor het aangezicht des HEEREN uws Gods, ter plaatse die Hij verkiezen zal om Zijn Naam aldaar te doen wonen, zult gij eten de tienden van uw koren, van uw most en van uw olie, en de eerstgeboorten uwer runderen en uwer schapen; opdat gij den HEERE uw God leert vrezen alle 10dagen.

24

Wanneer dan nog de weg voor u te veel zal zijn, dat gij zulks niet zoudt kunnen heendragen, omdat de plaats te ver van u zal zijn, die de HEERE uw God verkiezen zal om Zijn Naam aldaar te stellen; wanneer u de HEERE uw God zal 11gezegend hebben,

25

Zo maak het te gelde, en 12bind het geld in uw hand en ga naar de plaats die de HEERE uw God verkiezen zal;

26

En geef dat fgeld voor alles wat uw ziel lust, voor runderen en voor schapen, en voor wijn en voor 13sterken drank, en voor alles wat uw ziel van u begeren zal, en 14eet aldaar voor het aangezicht des HEEREN uws Gods en wees vrolijk, gij en uw huis.

27

Maar den Leviet die in uw poorten is, dien zult gij niet verlaten; want hij heeft 15geen gdeel noch erve met u.

28

16Ten einde van drie jaren zult gij voortbrengen alle tienden van uw inkomen 17in hetzelve jaar, en gij zult ze wegleggen in uw poorten;

29

Zo zal komen de Leviet, dewijl hij geen deel noch erve met u heeft, en de vreemdeling en de wees en de weduwe die in uw poorten zijn, en zullen eten en verzadigd worden; opdat u de HEERE uw God zegene in al het werk uwer hand, dat gij doen zult.