HET TWEEDE BOEK DERKRONIEKEN

HOOFDSTUK 9.

De koningin van Scheba bezoekt Salomo om zijn wijsheid te horen, vs. 1, enz. Waarover zij zich zeer verwondert, 3. En vereert hem met geschenken, 9. Krijgt ook geschenken van Salomo, en keert weder naar huis, 12. Salomo's goud en inkomen, 13. Zijn rondassen en schilden, 15. Elpenbenen troon, 17. Gouden vaten, 20. Hoe hij vereerd wordt van de naburige koningen, 23. Zijn macht en rijkdom, 25. Zijn regering en dood, 30.

De koningin van Scheba
1

EN a1toen de koningin van Scheba het gerucht van Sálomo hoorde, kwam zij, om Sálomo met raadselen te verzoeken, te Jeruzalem met een zeer zwaar heir, en kemels, dragende specerijen en goud in menigte en kostelijk gesteente; en zij kwam tot Sálomo en sprak met hem al wat in haar hart was.

2

En Sálomo verklaarde haar al haar woorden; en geen ding was er verborgen voor Sálomo, dat hij haar niet verklaarde.

3

Als nu de koningin van Scheba zag de wijsheid van Sálomo, en het huis dat hij gebouwd had,

4

En de spijze zijner tafel, en het 2zitten zijner knechten, en het 3staan zijner dienaren en hun kledingen, en zijn schenkers en hun kledingen, en zijn opgang waardoor hij opging in het huis des HEEREN, 4zo was in haar geen geest meer.

5

En zij zeide tot den koning: Het is een waarachtig woord geweest dat ik in mijn land gehoord heb, van uw 5zaken en van uw wijsheid.

6

En ik heb hun woorden niet geloofd, totdat ik gekomen ben en mijn ogen dat gezien hebben; en zie, de helft van de grootheid uwer wijsheid is mij niet aangezegd; 6gij hebt overtroffen het gerucht dat ik gehoord heb.

7

Welgelukzalig zijn uw mannen en welgelukzalig deze uw knechten, die geduriglijk voor uw aangezicht staan en uw wijsheid horen.

8

Geloofd zij de HEERE uw God, Die behagen in u gehad heeft, om u op 7Zijn troon 8den HEERE uw God tot een koning te zetten; overmits uw God Israël bemint, om hetzelve tot in eeuwigheid 9op te richten, zo heeft Hij u tot een koning over hen gesteld om recht en gerechtigheid te doen.

9

En zij gaf den koning honderd en twintig 10talenten goud en specerijen in grote menigte en kostelijk gesteente; en er was 11gelijk deze specerij, die de koningin van Scheba den koning Sálomo gaf, geen geweest.

10

Verder ook, Hurams knechten en Sálomo's knechten, die goud brachten uit 12Ofir, brachten 13algummimhout en edelgesteente.

11

bEn de koning maakte van dat algummimhout 14hoge gangen tot het huis des HEEREN en tot het huis des konings, mitsgaders harpen en luiten voor de zangers; 15desgelijks ook was tevoren in het land van Juda niet gezien geweest.

12

En de koning Sálomo gaf de koningin van Scheba al haar behagen, wat zij begeerde, 16behalve hetgeen dat zij tot den koning gebracht had; zo keerde zij en toog naar haar land, zij en haar knechten.

Sálomo's goud en inkomen
13

Het gewicht nu van het goud dat voor Sálomo op één jaar inkwam, was zeshonderd zes en zestig talenten goud,

14

Behalve wat zij van de 17kramers en de kooplieden inbrachten; ook 18brachten alle koningen van Arabië en de vorsten deszelven lands goud en zilver aan Sálomo.

15

Daartoe maakte de koning Sálomo tweehonderd rondassen van geslagen goud; zeshonderd 19sikkelen van geslagen goud liet hij opwegen tot elke rondas.

16

Insgelijks driehonderd schilden van geslagen goud; 20driehonderd sikkelen goud liet hij opwegen tot elk schild. En de koning legde ze in 21het huis des wouds van Libanon.

17

Nog maakte de koning een groten elpenbenen troon, en hij overtoog denzelven met 22louter goud.

18

En de troon had zes trappen, en een voetbank van goud, aan den troon vast zijnde, en 23leuningen 24aan beide zijden, tot de zitplaats toe; en twee leeuwen stonden bij de leuningen.

19

En twaalf leeuwen stonden daar aan beide zijden, op de zes trappen; desgelijks is in geen koninkrijk gemaakt geweest.

20

Ook waren alle drinkvaten van den koning Sálomo van goud, en alle vaten van het huis des wouds van Libanon waren van 25gesloten goud; het 26zilver was in de dagen van Sálomo niet voor iets geacht.

21

Want des konings schepen voeren naar Tarsis, met de knechten van Huram; 27eens in drie jaren kwamen de schepen van 28Tarsis in, brengende goud en zilver, elpenbeen en apen en pauwen.

22

Alzo werd de koning Sálomo groter dan alle koningen der aarde, in rijkdom en wijsheid.

23

En 29alle koningen der aarde zochten Sálomo's aangezicht, om zijn wijsheid te horen, die God in zijn hart gegeven had.

24

En zij brachten een ieder zijn geschenk: zilveren vaten en gouden vaten en klederen, harnas en specerijen, paarden en muilezels, 30elk van jaar tot jaar.

25

Ook had cSálomo 31vierduizend paardenstallen, en 32wagens, en twaalfduizend ruiters; en hij legde ze in de 33wagensteden en bij den koning te Jeruzalem.

26

En hij heerste over alle koningen, van de 34rivier 35tot aan het land der Filistijnen, en tot aan de landpale van Egypte.

27

dOok maakte de koning het zilver in Jeruzalem te zijn als stenen, en de ceders maakte hij te zijn als de wilde vijgenbomen, die in de laagte zijn, in menigte.

28

En zij brachten voor Sálomo 36paarden uit Egypte en uit al die landen.

Sálomo sterft
29

Het overige nu eder 37geschiedenissen van Sálomo, de eerste en de laatste, zijn die niet geschreven in de 38woorden van 39Nathan, den profeet, en in de profetie van 40Ahía, den Siloniet, en 41in de gezichten van 42Jedi, den 43ziener, 44aangaande Jeróbeam, den zoon van Nebat?

30

En Sálomo regeerde te Jeruzalem over gans Israël veertig jaar.

31

En Sálomo ontsliep met zijn vaderen en zij begroeven hem in de 45stad van zijn vader David; en zijn zoon Rehábeam werd koning in zijn plaats.