HET *BOEK DERPSALMEN

PSALM 89.

De psalmist looft God vanwege Zijn goeddadigheid, en ook vanwege de getrouwheid in het houden van Zijn verbond met David (die hier ook als een voorbeeld van Christus wordt voorgesteld) en met de gelovigen opgericht; alsook vanwege Zijn grote macht en zorg over Zijn kerk; doch hij klaagt ook over de zware verdrukkingen die de gemeente Gods wedervaren zijn, biddende om verlossing uit dezelve.

Lof op Gods bondstrouw
1

EEN 1 onderwijzing van 2Ethan, den Ezrahiet.

2

Ik zal de goedertierenheden des HEEREN eeuwiglijk zingen; ik zal 3Uw waarheid met mijn mond bekendmaken 4van geslacht tot geslacht.

3

5Want ik heb gezegd: Uw goedertierenheid zal eeuwiglijk gebouwd worden; 6in de hemelen zelve hebt Gij Uw waarheid bevestigd, zeggende:

4

Ik 7heb een verbond gemaakt 8met Mijn uitverkorene, Ik heb Mijn knecht David gezworen:

5

Ik zal 9uw zaad tot in eeuwigheid bevestigen, en 10uw troon opbouwen van geslacht tot geslacht. Sela.

6

a11Dies loven de 12hemelen Uw wonderen, o HEERE; 13ook is Uw getrouwheid in de gemeente der heiligen.14

7

Want wie mag 15in den hemel tegen den HEERE geschat worden? Wie is den HEERE gelijk 16onder de kinderen der sterken?

8

God is grotelijks geducht 17in den raad der heiligen, en vreselijk boven allen 18die rondom Hem zijn.

9

O HEERE, God der heirscharen, wie is als Gij, grootmachtig, 19o HEERE? En 20Uw getrouwheid is rondom U.

10

Gij heerst over 21de opgeblazenheid der zee; wanneer haar baren zich verheffen, 22zo stilt Gij ze.

11

Gij hebt 23Rahab verbrijzeld als 24een verslagene; Gij hebt Uw vijanden verstrooid met den arm Uwer sterkte.

12

bDe hemel is Uwe, ook is de aarde Uwe; de wereld en 25haar volheid, die hebt Gij gegrond.

13

Het noorden en 26het zuiden, die hebt Gij geschapen; 27Thabor en 28Hermon 29juichen in Uw Naam.

14

Gij hebt een arm met macht; Uw hand is sterk, Uw rechterhand 30is hoog.

15

cGerechtigheid en 31gericht zijn de vastigheid Uws troons; dgoedertierenheid en waarheid gaan voor Uw aanschijn heen.

16

Welgelukzalig is het volk 32hetwelk het geklank kent; o HEERE, 33zij zullen in het licht Uws aanschijns wandelen.

17

Zij zullen zich den gansen dag verheugen 34in Uw Naam, en door Uw gerechtigheid verhoogd worden;

18

Want 35Gij zijt de Heerlijkheid hunner sterkte, en door Uw welbehagen zal onze 36hoorn verhoogd worden.

19

Want 37ons schild 38is van den HEERE, en onze koning is van den Heilige Israëls.

20

Toen hebt Gij 39in een gezicht gesproken 40van Uw heilige, en gezegd: 41Ik heb hulp besteld bij een held; Ik heb 42een verkorene uit het volk verhoogd.

21

Ik heb David, Mijn knecht, gevonden; 43met eMijn heilige olie heb Ik hem gezalfd;

22

Met welken Mijn 44hand vast blijven zal; ook zal hem Mijn arm versterken.

23

fDe vijand zal hem niet 45dringen, en de 46zoon der ongerechtigheid zal hem niet onderdrukken.

24

Maar Ik zal zijn wederpartijders verpletteren voor zijn aangezicht; en die hem haten, zal Ik plagen.

25

En Mijn getrouwheid en Mijn goedertierenheid zullen met hem zijn; en 47zijn hoorn zal 48in Mijn Naam verhoogd worden.

26

En Ik zal zijn hand 49in de zee zetten, en zijn rechterhand 49in de rivieren.

27

g50Hij zal Mij noemen: Gij zijt mijn Vader, mijn God en de Rotssteen mijns heils.

28

Ook zal Ik hem 51ten eerstgeboren zoon stellen, ten 52hoogste over de koningen der aarde.

29

Ik zal hem Mijn goedertierenheid in eeuwigheid houden, en 53Mijn verbond zal hem vast blijven.

30

En 54Ik zal zijn zaad in eeuwigheid zetten, en zijn troon 55als de dagen der hemelen.

31

hIndien 56zijn kinderen Mijn wet verlaten, en in Mijn rechten niet wandelen,

32

Indien zij Mijn inzettingen ontheiligen, en Mijn geboden niet houden,

33

Zo zal Ik hun overtreding 57met de roede 58bezoeken, en hun ongerechtigheid met plagen.

34

Maar Mijn goedertierenheid zal Ik 59van hem niet wegnemen, 60en in Mijn getrouwheid niet feilen.

35

Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen, en 61hetgeen dat uit Mijn lippen gegaan is, zal Ik niet veranderen.

36

iIk heb ééns gezworen 62bij Mijn heiligheid: 63Zo Ik aan David liege!

37

64Zijn zaad zal in der eeuwigheid zijn, en zijn 65troon zal voor Mij zijn gelijk de zon.

38

Hij zal eeuwiglijk bevestigd worden, gelijk de maan, en de getuige 66in den hemel is getrouw. Sela.

39

Maar Gij hebt 67hem verstoten en verworpen; Gij zijt verbolgen geworden tegen 68Uw gezalfde.

40

Gij hebt het 69verbond Uws knechts tenietgedaan; 70Gij hebt zijn kroon ontheiligd tegen de aarde.

41

Gij hebt al 71zijn muren doorgebroken, Gij hebt zijn vestingen 72nedergeworpen.

42

kAllen die den weg voorbijgingen, hebben hem beroofd; zijn naburen is hij tot een smaad geweest.

43

73Gij hebt de rechterhand zijner wederpartijders verhoogd; Gij hebt al zijn vijanden verblijd.

44

Gij hebt ook de scherpte zijns zwaards 74omgekeerd, en 75hebt hem niet staande gehouden in den strijd.

45

76Gij hebt 77zijn schoonheid doen ophouden, en Gij hebt 78zijn troon ter aarde nedergestoten.

46

Gij hebt de dagen 79zijner jeugd verkort, Gij hebt hem met schaamte overdekt. Sela.

47

80Hoe lange, o HEERE? Zult Gij U 81steeds 82verbergen? Zal Uw grimmigheid branden als een vuur?

48

Gedenk 83van hoedanige 84eeuw dat ik ben; waarom zoudt Gij aller mensen kinderen 85tevergeefs geschapen hebben?

49

Wat man leeft er die 86den dood niet zien zal, 87die lzijn ziel zal bevrijden 88van het geweld des grafs? Sela.

50

Heere, waar zijn Uw vorige goedertierenheden, mdie Gij David gezworen hebt bij Uw trouw?

51

Gedenk, Heere, 89aan den smaad Uwer knechten, die ik in mijn boezem draag van 90alle grote volken;

52

Waarmede, o HEERE, Uw vijanden smaden, waarmede zij 91de voetstappen Uws gezalfden smaden.

53

92Geloofd zij de HEERE in der eeuwigheid. 93Amen, ja amen.