APOCALYPSIS, OFDE OPENBARINGVAN JOHANNESVAN JOHANNES *THEOLOGUS

HOOFDSTUK 16.

1 Den zeven voorgemelden engelen wordt bevel gegeven om hun fiolen uit te gieten. 2 Van welke de eerste wordt uitgestort op de aarde, 3 de tweede in de zee, 4 de derde in de rivieren; waarover de rechtvaardigheid Gods met een lofzang wordt geprezen. 8 De vierde fiool wordt uitgegoten in de zon. 10 De vijfde op den troon van het beest, na welke de mensen op aarde zich evenwel niet bekeren. 12 De zesde op de grote rivier Eufraat. 13 Drie onreine geesten, als vorsen, komen voort en gaan tot de koningen der aarde, om die te vergaderen tot den krijg van den groten dag. 15 En een iegelijk wordt daarover tot waken vermaand. 17 Ten laatste wordt de zevende fiool uitgegoten in de lucht, en alle dingen hebben een einde, ook het grote Babylon. 21 Waarna een zware hagel valt op de mensen, die God daarover lasteren.

De fiolen van den toorn Gods
1

EN ik hoorde een grote stem 1uit den tempel, zeggende tot de zeven engelen: Gaat heen en giet de zeven fiolen van den toorn Gods uit 2op de aarde.

2

En 3de eerste ging heen en 4goot zijn fiool uit 5op de aarde; en er werd een kwaad en boos agezweer aan de mensen die b6het merkteken van het beest hadden en cdie zijn beeld aanbaden.

3

En de tweede engel goot zijn fiool uit 7in de zee, en zij werd dbloed als van een dode; en alle levende ziel is gestorven in de zee.

4

En de derde engel goot zijn fiool uit 8in de rivieren en in de fonteinen der wateren; en de wateren werden bloed.

5

En ik hoorde 9den engel der wateren zeggen: Gij zijt rechtvaardig, Heere, eDie is, en Die was, 10en Die zijn zal, dat Gij dit geoordeeld hebt;

6

Dewijl zij fhet bloed der heiligen en der profeten vergoten hebben, 11zo hebt Gij hun ook bloed te drinken gegeven; want zij zijn het waardig.

7

En ik hoorde een ander gvan het altaar zeggen: Ja Heere, Gij almachtige God, Uw oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig.

8

En 12de vierde engel goot zijn fiool uit op de zon; en haar is macht gegeven de mensen te verhitten door vuur;

9

En de mensen werden verhit met grote hitte, en hlasterden den Naam van God, Die macht heeft over deze plagen; en zij bekeerden zich niet 13om Hem heerlijkheid te geven.

10

En de vijfde engel goot zijn fiool uit 14op den troon van het beest; en zijn rijk is verduisterd geworden, en 15zij kauwden hun tongen van pijn;

11

En zij lasterden den God des hemels vanwege hun pijnen en vanwege hun zweren; en zij bekeerden zich niet 16van hun werken.

12

En de zesde engel goot zijn fiool uit 17op de grote rivier Eufraat; en zijn water is uitgedroogd, opdat bereid zou worden den weg der koningen die van den opgang der zon komen zullen.

13

En ik zag uit den mond van den draak en uit den mond van het beest en 18uit den mond van den valsen profeet 19drie onreine geesten gaan, 20den vorsen gelijk.

14

Want het zijn geesten der duivelen, en zij idoen tekenen, welke uitgaan tot 21de koningen der aarde en 22der gehele wereld, 23om die te vergaderen ktot den krijg 24van dien groten dag des almachtigen Gods.

15

25Zie, Ik kom lals een dief. Zalig is hij die waakt en zijn klederen bewaart, opdat hij niet mnaakt wandele, en 26men zijn schaamte niet zie.

16

En zij hebben hen vergaderd in de plaats welke in het Hebreeuws genaamd wordt 27Armagéddon.

17

En de zevende engel 28goot zijn fiool uit in de lucht; en er kwam een grote stem uit den tempel des hemels, van den troon, zeggende: n29Het is geschied.

18

En 30er geschiedden ostemmen en donderslagen en bliksemen; en er geschiedde een grote aardbeving, hoedanige niet is geschied van dat de mensen op de aarde geweest zijn, namelijk een zodanige aardbeving en zo groot.

19

En p31de grote stad 32is in drie delen gescheurd, en 33de steden der heidenen zijn gevallen. En het grote Babylon q34is gedacht geworden voor God, om haar te geven r35den drinkbeker van den wijn des toorns Zijner gramschap.

20

En 36alle eiland is gevloden, en de bergen zijn niet gevonden.

21

En 37een grote shagel, elk als een talentpond zwaar, viel neder uit den hemel op de mensen; en de mensen t38lasterden God vanwege de plaag des hagels; want deszelfs plaag was zeer groot.