DE PROFEETAMOS

HOOFDSTUK 6.

Wee en gevangenis over de voornaamsten van Sion en Samaria, vanwege hun vleselijke zekerheid, goddeloze dartelheid en overdaad, vs. 1, enz. God zweert, dat Hij de stad, met al wat erin is, aan den vijand zal overgeven, en wie overblijft, door Zijn plagen doen verdwijnen, zonder groten of kleinen te verschonen, 7. Om Israëls domme verkeerdheid of hardnekkigheid en dwazen hoogmoed zal God een verdrukkenden vijand over hen zenden, 12.

Wee over de gerusten
1

WEE 1den 2gerusten te 3Sion en den 4zekeren op den berg van Samaría, die de 5voornaamsten zijn van de a6eerstelingen der volken, en tot dewelke die van het huis Israëls 7komen.

2

Gaat over naar 8Kalné en ziet toe, en gaat vandaar naar Hamath, de 9grote stad, en trekt af naar 10Gath der Filistijnen; of zij 11beter zijn dan deze koninkrijken, of hun landpale groter dan uw landpale.

3

Gij die den b12bozen dag c13verre stelt, en den stoel des gewelds 14nabij brengt.

4

Die daar liggen op 15elpenbenen bedsteden en 16weelderig zijn op hun koetsen, en eten de 17lammeren van de kudde, en de kalveren uit het 18midden van den meststal.

5

Die op het 19geklank der dluit kwinkeleren, en bedenken zichzelven instrumenten der muziek, 20gelijk David.

6

Die wijn 21uit schalen edrinken en zich zalven met de 22voortreffelijkste olie, maar f23bekommeren zich niet over de 24verbreking van 25Jozef.

7

Daarom zullen zij 26nu gevankelijk heengaan 27onder de voorsten die in ggevangenis gaan; en het 28banket dergenen die 29weelderig zijn, zal 30wegwijken.

8

De Heere HEERE heeft gezworen bij 31Zichzelven (spreekt de HEERE, de God der heirscharen): Ik heb een gruwel van 32Jakobs hovaardij en Ik haat zijn paleizen; daarom zal Ik de stad en haar 33volheid 34overleveren.

9

En het zal geschieden, zo er tien mannen in enig huis zullen 35overgelaten zijn, dat zij 36sterven zullen.

10

En 37de naaste vriend zal 38een iegelijk van die opnemen, of die 39hem 40verbrandt, om de beenderen uit het huis uit te brengen, en zal zeggen tot dien die 41binnen de zijden van het huis is: Zijn er nog 42meer bij u? En hij zal zeggen: 43Niemand. Dan zal hij zeggen: 44Zwijg, want 45zij waren niet om des HEEREN Naam te vermelden.

11

Want zie, de HEERE 46geeft bevel, en Hij zal het grote huis slaan met 47inwatering, en het kleine huis met spleten.

12

48Zullen ook paarden rennen op een steenrots? Zal men ook daarop met runderen ploegen? 49Want gijlieden hebt het recht in 50gal verkeerd, en de vrucht der gerechtigheid in halsem.

13

Gij die blijde zijt over een 51nietig ding; gij die zegt: Hebben wij ons niet door onze sterkte 52hoornen verkregen?

14

Want zie, Ik zal over ulieden, o huis Israëls, een 53volk verwekken, spreekt de HEERE, de God der heirscharen; die zullen ulieden 54drukken, vanwaar men komt te 55Hamath, tot aan de beek der 56wildernis.