HET TWEEDE BOEK DERKRONIEKEN

HOOFDSTUK 23.

Joas zeven jaren oud zijnde, wordt door beschikking van Jojada koning, vs. 1, enz. Athalia gedood, 12. Het verbond tussen den Heere en den koning met zijn volk wordt vernieuwd, 16. De afgoderij geweerd, 17. De kerkelijke orde hersteld, 18. En de koning met vreugde in zijn huis gebracht, 20.

Joas op den troon gebracht
1

DOCH 1 in het 2zevende jaar versterkte zich Jójada en nam de oversten der honderden, Azárja, den zoon van Jeróham, en Ismaël, den zoon van Jóhanan, en Azárja, den zoon van Obed, en Maäséja, den zoon van Adája, en Elisáfat, den zoon van Zichri, met zich in een verbond.

2

Die togen om in Juda, en vergaderden 3de Levieten uit alle steden van Juda, en de hoofden der vaderen 4van Israël; en zij kwamen naar Jeruzalem.

3

En die ganse gemeente maakte een verbond in het huis Gods met den koning; en 5hij zeide tot hen: Zie, de zoon des konings zal koning zijn, agelijk als de HEERE van de zonen van David gesproken heeft.

4

bDit is de zaak die gij doen zult: een derde deel van u, die op den sabbat ingaan, van de priesters en van de Levieten, zullen tot portiers 6der dorpels zijn;

5

En een derde deel zal zijn aan het huis des konings, en een derde deel aan de 7Fundamentpoort; en 8al het volk zal in de 9voorhoven zijn van het huis des HEEREN.

6

Maar dat niemand kome in 10het huis des HEEREN dan de priesters en de Levieten die dienen; die zullen ingaan, want zij zijn 11heilig; maar al het volk zal 12de wacht des HEEREN waarnemen.

7

De 13Levieten nu zullen den koning rondom omsingelen, een ieder met zijn wapenen in zijn hand, en die 14tot het huis inkomt, zal gedood worden; doch weest gijlieden bij den koning, 15als hij inkomt en 16uitgaat.

8

En de Levieten en gans Juda deden naar alles wat de priester Jójada geboden had; en 17zij namen een ieder 18zijn mannen die op den sabbat inkwamen, met degenen die op den sabbat uitgingen; want de priester Jójada had aan de 19verdelingen geen verlof gegeven.

9

Verder gaf de priester Jójada aan de oversten der honderden de spiesen en de rondassen en de schilden, 20die van den koning David geweest waren, die in het huis Gods waren.

10

En hij 21stelde al het volk en een ieder met zijn 22geweer in zijn hand, van de rechterzijde van het huis tot de linkerzijde van het huis, naar het 23altaar en naar het 24huis, bij den koning rondom.

11

Toen brachten zij des konings zoon 25voor, en zetten hem de 26kroon op en gaven hem de 27getuigenis, en zij maakten hem koning; en Jójada en zijn zonen zalfden hem en zeiden: 28De koning leve!

12

Toen nu Athália hoorde de stem des volks, dat toeliep en den koning roemde, kwam zij tot het volk in het huis des HEEREN.

13

En zij zag toe; en zie, de koning stond 29bij zijn pilaar, aan den 30ingang; en de 31oversten en 32de trompetten waren bij den koning; en al het volk des lands was blijde en 33blies met trompetten; en de zangers 34waren er met muzikale instrumenten en gaven te kennen dat men 35lofzingen zou. Toen verscheurde Athália haar klederen en zij riep: Verraad, verraad!

14

Maar de priester Jójada bracht de oversten der honderden, die over het heir gesteld waren, uit en zeide tot hen: Brengt haar uit tot buiten 36de ordeningen, en die haar volgt zal met het zwaard gedood worden. Want de priester had gezegd: Gij zult haar in het huis des HEEREN niet doden.

15

En 37zij legden de handen aan haar, en zij ging 38naar den ingang van de Paardenpoort, naar het huis des konings; en zij doodden haar daar.

16

En Jójada maakte een verbond tussen 39Hem en tussen al het volk, en tussen den koning, dat zij den HEERE tot een volk zouden zijn.

17

cDaarna ging al het volk in het huis van Baäl en braken dat af, en zijn altaren en zijn beelden verbraken zij; en Mattan, den priester van Baäl, dsloegen zij dood voor de altaren.

18

Jójada nu bestelde de ambten in het huis des HEEREN onder de hand der Levitische priesters, edie David in het huis des HEEREN afgedeeld had, om de brandoffers des HEEREN te offeren, gelijk in de fwet van Mozes geschreven is, met blijdschap en met gezang, 40naar de instelling van David.

19

En hij stelde de portiers aan de poorten van het huis des HEEREN, opdat niemand in enig ding onrein zijnde, inkwame.

20

En hij nam de oversten der honderden en de 41machtigen en die heerschappij hadden onder het volk, en al het volk des lands, en bracht den koning van het huis des HEEREN af, en zij kwamen door het midden der 42Hoge poort in het huis des konings; en zij zetten den koning op den troon des koninkrijks.

21

En al het volk des lands was blijde, en de stad werd stil, nadat zij Athália met het zwaard gedood hadden.