PROVERBIA.DE SPREUKENSPREUKENVAN SÁLOMOVAN SÁLOMO

HOOFDSTUK 2.

Verscheidene beloften van grote nuttigheden voor degenen die de ware wijsheid met ijver natrachten en verkrijgen; bijzonderlijk dat zij gestierd en bewaard zullen worden in den weg des levens, en behouden van het goddeloze gezelschap, dat den weg des verderfs ingaat.

De behartiging der wijsheid
1

MIJN 1 zoon, zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u 2weglegt,

2

Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken, zo gij uw hart tot 3verstandigheid neigt,

3

4Ja, zo gij tot het verstand 5roept, uw stem 6verheft tot de verstandigheid,

4

aZo gij haar zoekt als 7zilver, en naspeurt als verborgen schatten,

5

Dan zult gij de vreze des HEEREN verstaan, en zult de kennis Gods 8vinden.

6

bWant de HEERE geeft wijsheid; 9uit Zijn mond komt kennis en verstand.

7

Hij legt weg voor de oprechten een 10bestendig wezen; 11Hij is een Schild dengenen die 12oprechtelijk wandelen,

8

Opdat zij 13de paden des rechts houden; en Hij zal den weg Zijner 14gunstgenoten 15bewaren.

9

Dan zult gij verstaan 16gerechtigheid en recht, en billijkheden, en alle 17goed pad.

10

Als de wijsheid in uw hart zal gekomen zijn, en de wetenschap voor uw ziel zal lieflijk zijn,

11

Zo zal de bedachtzaamheid 18over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden;

12

Om u te redden van den 19kwaden weg, van den man die 20verkeerdheden spreekt;

13

Van degenen die 21de paden der oprechtheid 22verlaten, om 23te gaan in de wegen der duisternis;

14

Die blijde zijn in het kwaaddoen, zich verheugen in de verkeerdheden 24des kwaden,

15

25Welker paden 26verkeerd zijn, en 27afwijkende in hun sporen;

16

28Om u te redden van de 29vreemde vrouw, cvan de onbekende, 30die met haar redenen vleit,

17

Die den 31leidsman harer jonkheid verlaat, en 32het verbond haars Gods vergeet.

18

33Want haar huis helt 34naar den dood, en haar paden naar de 35overledenen.

19

Allen die 36tot haar ingaan, 37zullen niet wederkomen, en zullen de paden 38des levens niet aantreffen.

20

39Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de 40paden der 41rechtvaardigen.

21

dWant de vromen 42zullen de aarde bewonen, en de oprechten zullen daarin 43overblijven.

22

eMaar de goddelozen 44zullen van de aarde uitgeroeid worden, en de 45trouwelozen zullen ervan uitgerukt worden.