HET *BOEK DERPSALMEN

PSALM 68.

Bij het opbrengen van de ark des verbonds in Sion vermaant David, dat men God love over Zijn wonderbare liefde en kracht, door dewelke Hij Zijn volk uit Egypte verlost, door de woestijn geleid, in Kanaän gevoerd en geplant, hun vijanden gedempt en Sion tot Zijn en Zijner arke woonstede verkoren heeft; onder welke zaken hij zich in den geest verheugt over onzen Heere Jezus Christus, bijzonderlijk over Zijn verrijzenis en hemelvaart, mitsgaders de heilzame gaven en weldaden, die de kerk der Joden en heidenen daarvan geniet, zo op aarde als in het hemels Kanaän, om God eeuwiglijk te prijzen.

Danklied na overwinning
1

EEN 1psalm, een lied van David, voor den opperzangmeester.

2

a2God zal opstaan, Zijn vijanden zullen verstrooid worden, en Zijn haters zullen van Zijn aangezicht vlieden.

3

Gij zult hen verdrijven, gelijk rook verdreven wordt; gelijk was voor het vuur smelt, zullen de goddelozen vergaan van Gods aangezicht.

4

Maar de rechtvaardigen zullen zich verblijden, zij zullen van vreugde opspringen voor Gods aangezicht, en van blijdschap vrolijk zijn.

5

Zingt Gode, psalmzingt Zijn Naam, 3hoogt de wegen voor Dien Die in de 4vlakke velden rijdt, omdat Zijn Naam is 5HEERE; en springt op van vreugde voor 6Zijn aangezicht.

6

Hij is een Vader der wezen en een 7Rechter der weduwen; God, in de 8woonstede Zijner heiligheid.

7

Een God Die de 9eenzamen zet in een huisgezin, voert uit die in boeien 10gevangen zijn; maar de 11afvalligen wonen in het 12dorre.

8

O God, toen Gij voor het aangezicht Uws volks uittoogt, toen Gij daarheen traadt in de woestijn, 13Sela,

9

bDaverde de aarde, ook 14dropen de hemelen voor Gods aanschijn; 15zelfs deze Sinaï, voor het aanschijn Gods, des Gods van Israël.

10

Gij hebt 16zeer milden regen doen 17druipen, o God; en Gij hebt Uw 18erfenis gesterkt, als zij mat was geworden.

11

Uw 19hoop woonde daarin; Gij 20bereiddet ze 21door Uw goedheid voor den 22ellendige, o God.

12

De Heere gaf 23te spreken; der 24boodschappers van goede tijdingen was een grote heirschaar.

13

De koningen der heirscharen vloden weg, zij 25vloden weg; en 26zij die te huis bleef, deelde den roof uit.

14

Al laagt 27gijlieden tussen 28twee rijen van stenen, zo zult gij toch worden als vleugelen ener duive, overdekt met zilver, en welker vederen zijn met uitgegraven géluwen goud.

15

Als de Almachtige de koningen 29daarin 30verstrooide, werd 31zij sneeuwwit als op 32Zalmon.

16

De berg Basan is een berg 33Gods; de berg Basan is een 34bultige berg.

17

Waarom 35springt gij op, gij bultige bergen? cDezen 36berg heeft God begeerd tot Zijn woning; ook zal er de HEERE wonen in eeuwigheid.

18

Gods 37wagens zijn 38tweemaal tienduizend, de duizenden 39verdubbeld. De Heere is onder hen, een 40Sinaï in heiligheid.

19

d41Gij zijt opgevaren in de hoogte, Gij hebt de 42gevangenis gevankelijk gevoerd, Gij hebt gaven genomen 43om uit te delen onder de mensen; ja, ook de 44wederhorigen, 45om bij U te wonen, o HEERE God!

d Ef. 4:8.
20

46Geloofd zij de Heere; 47dag bij dag 48overlaadt Hij ons; die God is onze Zaligheid. Sela.

21

Die God is ons een God van 49volkomen zaligheid; en bij den HEERE, den Heere, zijn 50uitkomsten 51tegen den dood.

22

Voorzeker zal God den kop Zijner vijanden 52verslaan, den 53harigen schedel desgenen die in zijn 54schulden wandelt.

23

De Heere heeft gezegd: 55Ik zal wederbrengen uit eBasan, Ik zal wederbrengen uit de fdiepten der zee;

24

Opdat gij uw voet, ja, de tong uwer honden moogt steken in het bloed 56van de vijanden, van een iegelijk van hen.

25

O God, 57zij hebben Uw gangen gezien, de gangen mijns Gods, mijns Konings, in het heiligdom.

26

De 58zangers gingen voor, de speellieden achter, in het midden de 59trommelende maagden.

27

Looft God in de gemeenten, den Heere, gij die zijt uit de 60springader Israëls.

28

61Daar is Benjamin, de 62kleine, die over hen 63heerste, de vorsten van Juda met hun 64vergadering, de vorsten van Zebulon, de vorsten van Naftali.

29

Uw God heeft uw sterkte 65geboden; sterk, o God, wat Gij 66aan ons gewrocht hebt!

30

Om Uws 67tempels wil te Jeruzalem, 68zullen U de koningen ggeschenk toebrengen.

31

69Scheld het 70wild gedierte des 71riets, de vergadering der 72stieren met de 73kalveren der volken, en dien die zich 74onderwerpt met stukken zilver; 75Hij heeft de volken verstrooid, die lust hebben in oorlogen.

32

76Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte; 77Morenland zal zich 78haasten zijn handen tot God uit te strekken.

33

Gij koninkrijken der aarde, zingt Gode; psalmzingt den Heere, Sela;

34

Dien Die daar rijdt in den hemel der hemelen, 79die vanouds is; zie, Hij geeft Zijn 80stem, een stem der sterkte.

35

Geeft Gode 81sterkte; Zijn 82hoogheid is over Israël, en Zijn sterkte in de 83bovenste wolken.

36

O God, Gij zijt vreselijk uit Uw 84heiligdommen; de God Israëls, Die geeft den 85volke sterkte en krachten. 86Geloofd zij God.