DE PROFEETJESAJA

HOOFDSTUK 2.

De profeet spreekt, met verbloemde woorden, van de komst van het Koninkrijk van Christus en de beroeping der heidenen, vs. 2. Mitsgaders van de verstoting der Joden, vanwege hun gruwelijke zonden, 6. Inzonderheid vanwege hun afgoderij en hovaardij, 8. En hij vermaant alle mensen dat zij God zullen vrezen, vanwege Zijn grote majesteit en macht over alle dingen, 10. Voorzegging van den groten schrik die over de afgodendienaars komen zou, 19.

Jeruzalems heerlijke toekomst
1

HET 1woord dat Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft 2over Juda en Jeruzalem.

2

En het zal geschieden 3in het laatste der dagen, dat 4ade berg van het huis des HEEREN zal vastgesteld zijn 5op den top der bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot denzelven zullen 6alle heidenen toevloeien.

3

En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot den berg des HEEREN, tot het huis van den God Jakobs, opdat Hij ons lere 7van Zijn wegen en dat wij wandelen in Zijn paden. 8Want buit Sion 9zal de wet uitgaan, en des HEEREN woord uit Jeruzalem.

4

En 10Hij zal richten onder de heidenen en 11bestraffen vele volken; 12en zij zullen hun czwaarden slaan tot 13spaden en hun spiesen tot 14sikkels; 15het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen 16geen oorlog meer leren.

5

17Komt, gij huis Jakobs, en laat ons wandelen 18in het licht des HEEREN.

De dag des HEEREN
6

19Maar Gij hebt 20Uw volk, het huis Jakobs, verlaten; want zij zijn vervuld met goddeloosheid, 21meer dan het oosten, en zij zijn 22guichelaars, gelijk de Filistijnen, 23en aan de kinderen der vreemden 24tonen zij hun behagen.

7

En 25hun land is vervuld met zilver en goud, en hunner schatten is geen einde; hun land is ook vervuld met paarden, en hunner wagens is geen einde.

8

Ook is hun land vervuld 26met afgoden; 27voor het werk hunner handen buigen zij zich neder, voor hetgeen dat hun vingers gemaakt hebben.

9

28Daar bukt zich de gemene man, en 29de aanzienlijke man vernedert zich; daarom 30zult Gij het hun niet vergeven.

10

31Ga in den rotssteen, en verberg u 32in het stof, vanwege den schrik des HEEREN, en om de heerlijkheid Zijner majesteit.

11

dDe 33hoge ogen der mensen zullen vernederd worden, en de hoogheid der mannen zal nedergebogen worden; en de HEERE alleen zal 34in dien dag 35verheven zijn.

12

Want 36de dag des HEEREN der heirscharen zal zijn tegen allen hovaardige en hoge, en tegen allen verhevene, opdat 37hij vernederd worde;

13

En tegen 38alle hoge en verheven 39ceders van Libanon, en tegen alle eiken van 40Basan;

14

En tegen alle hoge bergen, en tegen alle verheven heuvelen;

15

En tegen allen 41hogen toren, en tegen allen vasten muur;

16

En tegen alle 42schepen van Tarsis, en tegen alle 43gewenste schilderijen.

17

En de hoogheid des mensen zal gebogen en de hoogheid der mannen zal vernederd worden; en de HEERE alleen zal 44in dien dag verheven zijn.

18

En elkeen der afgoden zal ganselijk vergaan.

19

Dan zullen 45zij 46in de spelonken der rotsstenen gaan, en 47in de holen der aarde, vanwege den schrik des HEEREN en vanwege de heerlijkheid Zijner majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal om 48de aarde te verschrikken.

20

In dien dag zal de mens zijn zilveren afgoden en zijn gouden afgoden, welke zij zich gemaakt hadden om zich daarvoor neder te buigen, wegwerpen voor 49de mollen en de vledermuizen;

21

Gaande in de reten der rotsen en in de 50kloven der steenrotsen, vanwege den schrik des HEEREN en vanwege de heerlijkheid Zijner majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal om de aarde geweldiglijk te verschrikken.

22

51Laat gijlieden dan af van den mens, wiens adem in zijn neus is, want 52waarin is hij te achten?