APOCALYPSIS, OFDE OPENBARINGVAN JOHANNESVAN JOHANNES *THEOLOGUS

HOOFDSTUK 12.

1 Den apostel wordt vertoond een gezicht van een vrouw die in barensnood is. 3 En van een roden draak, die voor haar stond om het Kind te verslinden. 5 Maar het Kind wordt opgenomen voor Gods troon, en de vrouw vliedt in de woestijn, alwaar haar plaats bereid is twaalfhonderd zestig dagen. 7 Daar ontstaat krijg in den hemel tussen Michaël en den draak. 9 Doch de draak wordt overwonnen, en geworpen op de aarde. 10 Waarop een lofzang volgt in den hemel. 13 De draak vervolgt de vrouw, die arendsvleugelen ontvangt, om in de woestijn te vluchten. 15 Achter welke de draak waterstromen uitwerpt, die de aarde indrinkt. 17 En de draak voert krijg tegen de overigen van haar zaad. 18 En Johannes staat op den oever van de zee.

De vrouw en de draak
1

EN 1 er werd 2een groot teken gezien in den hemel, 3namelijk een vrouw, 4bekleed met de zon, en 5de maan was onder haar voeten, en op haar hoofd 6een kroon van twaalf sterren;

2

En 7zij was zwanger, en riep, barensnood hebbende, en 8zijnde in pijn om te baren.

3

En er werd een ander teken gezien in den hemel; en zie, 9er was een grote rode draak, hebbende zeven hoofden en tien hoornen, en op zijn hoofden zeven 10koninklijke hoeden.

4

En 11zijn staart trok het derde deel der sterren des hemels, en wierp die op de aarde. En de draak stond voor de vrouw die baren zou, opdat hij haar Kind zou verslinden, wanneer zij Het zou gebaard hebben.

5

En 12zij baarde een mannelijken Zoon, aDie al 13de heidenen zou 14hoeden met een ijzeren roede; en haar Kind werd weggerukt tot God en Zijn troon.

6

15En de vrouw vluchtte in de woestijn, 16alwaar zij een plaats had, haar van God bereid, 17opdat zij haar aldaar zouden voeden bduizend tweehonderd zestig dagen.

Michaël overwint den draak
7

En 18er werd krijg in den hemel: 19Michaël en Zijn engelen krijgden tegen den draak, en de draak krijgde ook en zijn engelen.

8

En zij hebben niet vermocht, 20cen hun plaats is niet meer gevonden in den hemel.

9

En dde grote draak is geworpen, namelijk21de oude slang, welke genaamd wordt duivel en satanas, die 22de gehele wereld verleidt, hij is, zeg ik, geworpen op de aarde, en zijn engelen zijn met hem geworpen.

10

En ik hoorde een grote stem, zeggende in den hemel: Nu is de zaligheid en de kracht en het Koninkrijk geworden onzes Gods, en de macht van Zijn Christus; want 23de verklager onzer broederen, die hen verklaagde voor onzen God dag en nacht, is nedergeworpen.

11

En zij hebben hem overwonnen door 24het bloed des Lams en door 25het woord hunner getuigenis, en zij hebben 26hun leven niet liefgehad tot den dood toe.

12

eHierom, bedrijft vreugde, gij hemelen en gij die daarin woont. fWee dengenen 27die de aarde en de zee bewonen; want de duivel is tot u afgekomen, en 28heeft groten toorn, wetende dat hij 29een kleinen tijd heeft.

De draak vervolgt de vrouw
13

30En toen de draak zag dat hij op de aarde geworpen was, zo heeft hij de vrouw vervolgd die het Manneken gebaard had.

14

gEn aan de vrouw zijn gegeven 31twee vleugelen eens groten arends, opdat zij zou vliegen in de woestijn, 32in haar plaats, 33alwaar zij gevoed wordt h34een tijd en tijden en een halven tijd, 35buiten het gezicht van de slang.

15

36En de slang wierp uit zijn mond achter de vrouw water als een rivier, opdat hij haar 37door de rivier zou doen wegvoeren.

16

En de aarde kwam de vrouw te hulp, en de aarde opende haar mond en verzwolg de rivier welke de draak uit zijn mond had geworpen.

17

En de 38draak vergrimde op de vrouw, en ging heen om krijg te voeren 39tegen de overigen van haar zaad, die de geboden Gods bewaren en de getuigenis van Jezus Christus hebben.

18

En ik 40stond op het zand der zee.