PROVERBIA.DE SPREUKENSPREUKENVAN SÁLOMOVAN SÁLOMO

HOOFDSTUK 7.

Salomo vermaant tot familiare, innerlijke en sterke gemeenschap met de wijsheid, vs. 1, enz. Om bewaard te zijn voor de gevaren der onkuise vrouwen, 5. Waarvan hij een bijzonder voorbeeld voor ogen stelt, afbeeldende zeer levendig de kunstige praktijken van een overspeelster en de verleiding van een dommen jongeling, met ernstige afmaning van zulke goddeloosheid, 6, enz.

Het gevaar van onkuisheid
1

MIJN zoon, bewaar mijn redenen, en 1leg mijn geboden bij u weg.

2

aBewaar mijn geboden en 2leef, en mijn 3wet als 4den appel uwer ogen.

3

b5Bind ze aan uw vingers, 6schrijf ze op de tafel uws harten.

4

7Zeg tot de wijsheid: Gij zijt mijn zuster; en heet het verstand uw 8bloedvriend;

5

cOpdat zij u bewaren voor de 9vreemde vrouw, voor de onbekende, 10die met haar redenen vleit.

6

11Want door het venster van mijn huis, door mijn tralie keek ik uit,

7

En ik zag onder de 12slechten, ik 13merkte onder de 14jonge gezellen een 15verstandelozen jongeling,

8

Voorbijgaande op de straat, nevens 16haar hoek, en hij trad op den weg 17van haar huis,

9

18In de schemering, in den avond des daags, in den 19zwarten nacht en de donkerheid;

10

En zie, een vrouw ontmoette hem in 20hoerenversiersel, en 21met het hart op haar hoede;

11

dDeze was 22woelachtig en 23wederstrevig; haar voeten 24bleven in haar huis niet;

12

25Nu buiten, 25dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende.

13

En zij greep hem aan en kuste hem; zij 26sterkte haar aangezicht en zeide tot hem:

14

27Dankoffers zijn bij mij, ik heb heden mijn 28geloften 29betaald.

15

Daarom ben ik uitgegaan u tegemoet, om uw aangezicht 30naarstiglijk te zoeken, en ik heb u gevonden.

16

Ik heb mijn bedstede met 31tapijtsieraad toegemaakt, 32met uitgehouwen werken, 33met fijn linnen van Egypte.

17

Ik heb mijn leger met mirre, aloë en kaneel welriekende gemaakt;

18

Kom, laat ons 34dronken worden van minne tot den morgen toe, laat ons ons vrolijk maken in 35grote liefde.

19

Want 36de man is niet in zijn huis, hij is 37een verren weg getogen;

20

Hij heeft 38een bundel geld 39in zijn hand genomen, 40ten bestemden dage zal hij naar zijn huis komen.

21

Zij 41bewoog hem door de veelheid van haar 42onderricht, zij dreef hem aan door 43de vleiing harer lippen.

22

Hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en 44gelijk een dwaas tot 45de tuchtiging der boeien,

23

Totdat hem 46de pijl 47zijn lever doorsneed; egelijk een vogel zich haast naar den strik, en niet weet dat dezelve 48tegen zijn leven is.

24

Nu dan, 49kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.

25

Laat uw hart tot haar 50wegen niet wijken, dwaal niet op haar paden.

26

Want zij heeft vele gewonden nedergeveld, en al 51haar gedoden zijn 52machtig vele.

27

fHaar huis zijn wegen 53des grafs, dalende naar de binnenkameren 54des doods.