DE PROFEETEZECHIËL

*HOOFDSTUK 40.

Tijd en manier van dit gezicht, vss. 1, 2. Een Man bericht den profeet van het doeleinde van het gezicht, 3. Van den muur die rondom ging en de maten, 5. Van de poorten en voorhoven, te weten het buitenste voorhof met zijn toebehoren, waar het volk placht te vergaderen, 6. Het binnen- of middelste voorhof, met zijn toebehoren, waar het gereedschap der Levieten was en de offers bereid werden, 28. Het derde of binnenste voorhof, of voorhof der priesters, waar het brandofferaltaar stond, 44. Het voorhuis des tempels, 48.

De nieuwe tempel
1

IN het vijf en twintigste jaar onzer gevankelijke 1wegvoering, in het 2begin des jaars, op den tiende der 3maand, in het veertiende jaar nadat de 4stad ageslagen was; 5even op dienzelven dag, was de 6hand des HEEREN op mij en Hij bracht mij 7derwaarts.

2

In de 8gezichten Gods bracht 9Hij mij in het land Israëls; en 10Hij zette mij op een zeer hogen 11berg, en aan denzelven was als een gebouw ener stad tegen het 12zuiden.

3

Als Hij mij daarheen 13gebracht had, zie, zo was er een 14Man, Wiens gedaante was als de gedaante van 15koper; en in Zijn 16hand was een 17linnen snoer en een 18meetriet; en Hij stond 19in de poort.

4

En die Man sprak tot mij: 20Mensenkind, 21zie met uw ogen, en hoor met uw oren, en zet uw hart op alles wat Ik u zal doen zien; want opdat Ik u zou doen zien, zijt gij herwaarts gebracht; verkondig daarna het huis Israëls alles wat gij ziet.

5

En zie, er was een 22muur buiten aan het huis 23rondom heen, en in des Mans hand was een meetriet van zes ellen, 24elke el van een el en een 25handbreed; en Hij mat de 26breedte des gebouws, één riet, en de 27hoogte, één riet.

6

Toen kwam Hij tot de 28poort welke 29zag den weg naar het oosten, en Hij ging bij derzelver 30trappen op, en mat den dorpel der poort, één riet de breedte, en den anderen dorpel, één riet de breedte;

7

En 31elk kamertje één riet de lengte, en één riet de breedte; en 32tussen de kamertjes vijf ellen; en den 33dorpel der poort, bij het 34voorhuis der poort van binnen, één riet.

8

35Ook mat Hij het voorhuis der poort 36van binnen, één riet.

9

Toen mat Hij het andere voorhuis der poort, acht ellen, en 37haar posten twee ellen; 38en het voorhuis der poort was van binnen.

10

En de kamertjes der poort, den weg naar het oosten, waren 39drie van deze en drie van gene zijde; die drie hadden enerlei maat; ook hadden de posten van deze en van gene zijde enerlei maat.

11

Voorts mat Hij de wijdte der deur van de poort, tien ellen; de lengte der poort dertien ellen.

12

En er was een 40ruim 41vóór aan de kamertjes, van één el van deze, en een ruim van één el van gene zijde; en elk kamertje zes ellen van deze en zes ellen van gene zijde.

13

Toen mat Hij de poort van het dak 42van een kamertje af tot aan het dak van een ander; de breedte was vijf en twintig ellen; deur was tegenover deur.

14

Ook 43maakte Hij posten van zestig ellen, namelijk tot den post van het 44voorhof, rondom de poort heen.

15

En van het 45voorste deel van de poort 46des ingangs, tot aan het voorste deel van het voorhuis 47van de binnenpoort, waren vijftig ellen.

16

En er waren 48gesloten vensters aan de kamertjes, en aan hun posten inwaarts in de poort rondom heen; alzo ook aan de 49voorhuizen; 50de vensters nu waren rondom heen inwaarts, en aan de posten waren 51palmbomen.

17

Voorts bracht Hij mij in het 52buitenste voorhof, en zie, er waren kamers, en een plaveisel, dat gemaakt was in het voorhof rondom heen; 53dertig kamers waren er op het plaveisel.

18

Het plaveisel nu was aan de zijde van de poorten, tegenover de 54lengte van de poorten; dit was het 55benedenste plaveisel.

19

En Hij mat de breedte, van het 56voorste deel der benedenste poort af, 57vóór aan het binnenste voorhof, van buiten, honderd ellen, oostwaarts en noordwaarts.

20

Aangaande de poort nu die den weg naar het noorden 58zag, aan het buitenste voorhof, Hij mat derzelver lengte en derzelver breedte.

21

En haar kamertjes, drie van deze en drie van gene zijde, en haar posten en haar voorhuizen 59waren naar de maat der eerste poort: vijftig ellen haar lengte, en de breedte 60van vijf en twintig ellen.

22

En haar vensters en haar voorhuizen en haar palmbomen waren naar de maat der poort die den weg naar het oosten zag; en 61men ging daarin op met zeven trappen, en haar voorhuizen waren 62vóór aan dezelve.

23

De poort nu van het binnenste voorhof was tegenover de poort van het noorden en van het oosten; en Hij mat van poort tot poort honderd ellen.

24

Daarna voerde Hij mij den weg naar het zuiden; en zie, er was een poort den weg naar het zuiden; en Hij mat derzelver posten en derzelver voorhuizen 63naar deze maten.

25

En zij had vensters, ook aan haar voorhuizen, rondom heen, 64gelijk deze vensters; de lengte was vijftig ellen en de breedte vijf en twintig ellen.

26

En haar opgangen waren van zeven trappen, en haar voorhuizen waren vóór aan dezelve; en zij had palmbomen, één van deze en één van gene zijde, aan haar posten.

27

Ook was er een poort in het binnenste voorhof, den weg naar het zuiden; en Hij mat van poort tot poort, den weg naar het zuiden, honderd ellen.

28

Voorts bracht Hij mij door de zuiderpoort tot het 65binnenvoorhof; en Hij mat de zuiderpoort 66naar deze maten.

29

En haar kamertjes en haar posten en haar voorhuizen waren naar deze maten; en zij had vensters, ook in haar voorhuizen, rondom heen; de lengte was vijftig ellen en de breedte vijf en twintig ellen.

30

En er waren voorhuizen rondom heen; de 67lengte was vijf en twintig ellen, en de breedte vijf ellen.

31

En haar voorhuizen waren aan het buitenste voorhof, ook waren er palmbomen aan haar posten, en haar opgangen waren van acht trappen.

32

Daarna bracht Hij mij tot het binnenste voorhof, den weg naar het oosten; en Hij mat de poort naar deze maten;

33

Ook haar kamertjes en haar posten en haar voorhuizen naar deze maten; en zij had vensters, ook aan haar voorhuizen, rondom heen; de lengte was vijftig ellen en de breedte vijf en twintig ellen.

34

En haar voorhuizen waren aan het buitenste voorhof; ook waren er palmbomen aan haar posten, van deze en van gene zijde; en haar opgangen waren van acht trappen.

35

Daarna bracht Hij mij tot de noorderpoort; en Hij mat naar deze maten

36

Haar kamertjes, haar posten en haar voorhuizen; ook had zij vensters rondom heen; de lengte was vijftig ellen en de breedte vijf en twintig ellen.

37

En haar posten waren aan het buitenste voorhof; ook waren er palmbomen aan haar posten, van deze en van gene zijde; en haar opgangen waren van acht trappen.

38

Haar 68kamers nu en haar deuren waren bij de posten der poorten; aldaar 69wies men het 70brandoffer.

39

En in het voorhuis der poort waren twee tafels van deze en twee tafels van gene zijde, om daarop te slachten het 71brandoffer en het 72zondoffer en het schuldoffer.

40

Ook waren er aan de 73zijde van buiten des opgangs, aan de deur der noorderpoort, twee tafels; en aan de andere zijde die aan het voorhuis der poort was, twee tafels.

41

74Vier tafels van deze en vier tafels van gene zijde, aan de zijde der poort; acht tafels waarop 75men slachtte.

42

Maar de vier tafels voor het brandoffer waren van gehouwen stenen, de lengte één el en een halve, en de breedte één el en een halve, en de hoogte één el; op dezelve nu legde men het gereedschap heen waarmede 76men het brandoffer en slachtoffer slachtte.

43

De 77haardstenen nu waren een handbreed dik, ordentelijk geschikt 78in het huis rondom heen; en op de tafels was het offervlees.

44

En van buiten de binnenste poort waren de kamers der 79zangers, in het 80binnenste voorhof, dat aan de zijde van de noorderpoort was; en het voorste deel 81derzelve was den weg naar het zuiden; 82één was er aan de zijde van de oostpoort, 83ziende den weg naar het noorden.

45

En Hij sprak tot mij: Deze 84kamer, welker 85voorste deel den weg naar het zuiden is, is voor de priesters die de 86wacht des huizes waarnemen.

46

Maar de kamer welker voorste deel den weg naar het noorden is, is voor de priesters die de 87wacht des altaars waarnemen; dat zijn de kinderen 88Zadoks, die uit de kinderen van Levi tot den HEERE 89naderen om Hem te dienen.

47

En Hij mat het voorhof: de lengte honderd ellen en de breedte honderd ellen, vierkant; en het 90altaar was 91vóór aan het 92huis.

48

Toen bracht Hij mij tot het voorhuis des huizes, en Hij mat elken post van het voorhuis, vijf ellen van deze en vijf ellen van gene zijde; en de breedte der poort, drie ellen van deze en drie ellen van gene zijde;

49

De lengte van het voorhuis twintig ellen en de breedte elf ellen; en het was met 93trappen, bij dewelke men daarin opging; ook waren er pilaren aan de posten, één van deze en één van gene zijde.