HET EERSTE BOEK DERKONINGEN

HOOFDSTUK 14.

Jerobeam zendt zijn vrouw tot den profeet Ahia, om te vragen hoe het met zijn zoon, die ziek was, vergaan zou, vs. 1, enz. Die hem voorzegt zijn ondergang, om zijn afgoderij, 7. Insgelijks den dood van zijn kind, 12. En het verderf van Israël, 15. Zijn zoon sterft, hij mede, en zijn zoon Nadab regeert, 17. Rehabeam en Juda zondigen tegen den Heere, 21. Zij worden gestraft door Sisak, den koning van Egypte, 25. Na den dood van Rehabeam regeert zijn zoon Abiam, 29.

Ahía's profetie tegen Jeróbeam
1

TE 1dienzelven tijde was Abía, de zoon van Jeróbeam, krank.

2

En Jeróbeam zeide tot zijn huisvrouw: Maak u nu op, en 2verstel u, dat men niet merke dat gij Jeróbeams huisvrouw zijt. En ga heen naar 3Silo; zie, daar is de profeet Ahía, adie van mij gesproken heeft, dat ik koning zou zijn over dit volk.

3

En 4neem in uw hand tien broden en 5koeken en een 6kruik honing, en ga tot hem; hij zal u te kennen geven 7wat dezen jongen geschieden zal.

4

En Jeróbeams huisvrouw deed alzo en maakte zich op, en ging naar Silo en kwam in het huis van Ahía. Ahía nu kon niet zien, want zijn ogen 8stonden stijf vanwege zijn ouderdom.

5

Maar de HEERE zeide tot Ahía: Zie, Jeróbeams huisvrouw komt 9om een zaak van u te vragen aangaande haar zoon, want hij is krank; 10zo en zo zult gij tot haar spreken; en het zal zijn als zij inkomt, dat zij zich 11vreemd aanstellen zal.

6

En het geschiedde als Ahía het geruis harer voeten hoorde, toen zij ter deure inkwam, dat hij zeide: Kom in, gij huisvrouw van Jeróbeam. 12Waarom stelt gij u dus vreemd aan? Want ik ben tot u 13gezonden met een 14harde boodschap.

7

Ga heen, zeg Jeróbeam: Zo zegt de HEERE, de God Israëls: bDaarom dat Ik u verheven heb uit het midden des volks, en u tot een 15voorganger over Mijn volk Israël gesteld heb,

8

En het koninkrijk van het huis van David gescheurd en dat u gegeven heb, en gij niet geweest zijt gelijk Mijn knecht David, die Mijn geboden hield en die Mij 16met zijn ganse hart navolgde om te doen alleen wat recht is in Mijn ogen,

9

Maar kwaad gedaan hebt, doende des meer dan allen die vóór u geweest zijn, en heengegaan zijt en hebt u andere goden en gegoten beelden gemaakt, om Mij tot toorn te verwekken, en hebt Mij 17achter uw rug geworpen;

10

Daarom, czie, Ik zal 18kwaad over het 19huis van Jeróbeam brengen, en van Jeróbeam uitroeien d20die aan den wand watert, 21den beslotene en verlatene in Israël; en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jeróbeam wegdoen, gelijk de drek weggedaan wordt, totdat het ganselijk vergaan zij.

11

22Die van Jeróbeam in de stad sterft, zullen de honden eten; en die in het veld sterft, zullen de vogelen des hemels eten; want de HEERE heeft het gesproken.

12

Gij dan, maak u op, ga naar uw huis; als uw voeten in de stad 23zullen gekomen zijn, zo zal het kind sterven.

13

En 24gans Israël zal hem 25beklagen en hem begraven; 26want deze alleen van Jeróbeam zal in het graf komen, omdat in hem 27wat goeds voor den HEERE, den God Israëls, in het huis van Jeróbeam gevonden is.

14

Doch ede HEERE zal Zich 28een koning verwekken over Israël, die het huis van Jeróbeam 29ten zelven dage uitroeien zal; 30maar wat zal het 31ook nu zijn?

15

De HEERE fzal ook Israël slaan, gelijk een riet in het water 32omgedreven wordt, en zal Israël uitrukken uit dit goede land, dat Hij hun vaderen gegeven heeft, en zal hen verstrooien op gene zijde der 33rivier; daarom dat zij hun 34bossen gemaakt hebben, den HEERE tot toorn verwekkende.

16

En Hij zal Israël 35overgeven, om Jeróbeams zonden wil, die 36gezondigd heeft en die Israël 37heeft doen zondigen.

17

Toen maakte zich Jeróbeams vrouw op, en ging heen en kwam te 38Tirza; als zij nu op den dorpel van het huis kwam, 39zo stierf de jongeling.

18

En zij begroeven hem, en gans Israël beklaagde hem, naar het woord des HEEREN 40dat Hij gesproken had door den 41dienst van Zijn knecht Ahía, den profeet.

19

Het overige nu der geschiedenissen van Jeróbeam, hoe hij gekrijgd en hoe hij geregeerd heeft, zie, die zijn geschreven 42in het boek der kronieken der koningen van Israël.

20

De dagen nu die Jeróbeam heeft geregeerd, zijn twee en twintig jaar; en hij ontsliep met zijn vaderen, en Nadab, zijn zoon, regeerde in zijn plaats.

Rehábeams zonde en dood
21

gRehábeam nu, de zoon van Sálomo, regeerde in Juda; een en veertig jaar was Rehábeam 43oud, als hij koning werd, en regeerde zeventien jaar te Jeruzalem, in de stad die de HEERE verkoren had uit al de stammen Israëls 44om Zijn Naam daar te zetten; 45en de naam zijner moeder was Náäma, de 46Ammonitische.

22

En Juda 47deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, en zij verwekten Hem tot 48ijver, meer dan al hun vaderen gedaan hadden, met hun zonden die zij zondigden.

23

Want 49ook zij bouwden zich hoogten en opgerichte beelden en 50bossen, op allen 51hogen heuvel en onder allen groenen boom.

24

Er waren ook 52schandjongens in het land; zij deden naar 53al de gruwelen der heidenen die de HEERE van het aangezicht der kinderen Israëls uit de bezitting verdreven had.

25

Het geschiedde nu in het vijfde jaar van den koning Rehábeam, hdat54Sisak, de koning van Egypte, optoog tegen Jeruzalem.

26

En hij nam de schatten van het huis des HEEREN en de schatten van het huis des konings weg, 55ja, hij nam alles weg; ihij nam ook al de gouden schilden weg die Sálomo gemaakt had.

27

En de koning Rehábeam maakte in plaats van die, koperen schilden; en hij beval die onder de hand van de oversten der 56trawanten, die de deur van het huis des konings bewaarden.

28

En het geschiedde, zo wanneer de koning in het huis des HEEREN ging, dat de trawanten 57dezelve droegen, en die wederbrachten in der trawanten 58wachtkamer.

29

Het overige nu der geschiedenissen van Rehábeam, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven 59in het boek der kronieken der koningen van Juda?

30

En er was 60krijg tussen Rehábeam en tussen Jeróbeam al 61hun dagen.

31

En Rehábeam ontsliep met zijn vaderen en werd begraven bij zijn vaderen in de 62stad Davids; 63en de naam zijner moeder was Náäma, de Ammonitische; en zijn zoon 64Abíam regeerde in zijn plaats.