DE PROFEETDANIËL

HOOFDSTUK 5.

Belsazar in zijn goddelozen maaltijd den God Israëls bespottende, en misbruikende de vaten Zijns tempels, vs. 1, enz. Wordt wel dapper verward door een geschrift aan den wand, hetwelk zijn wijzen noch lezen noch verstaan konden, 5, enz. Daniël wordt, door raad der oude koningin, geroepen, 10, enz. Hij veracht des konings geschenken, en geeft hem een goede les, 17, 18, enz. Daarna leest Daniël het geschrift en wijst aan, dat het des konings ondergang beduidde, 24, enz. Die ook denzelfden nacht daarop gevolgd is, 30.

Het oordeel Gods over Bélsazar
1

DE koning 1Bélsazar 2maakte 3een groten maaltijd voor zijn 4duizend geweldigen, en hij dronk wijn 5voor die duizend.

2

Als Bélsazar 6den wijn geproefd had, zeide hij 7dat men de gouden en zilveren vaten voorbrengen zou, die 8zijn vader Nebukadnézar uit den tempel die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had; opdat de koning en zijn geweldigen, zijn 9vrouwen en zijn bijwijven 10uit dezelve dronken.

3

Toen bracht men voor 11de gouden vaten 12die men uit den tempel van het huis Gods, die te Jeruzalem geweest was, 13weggevoerd had; en de koning en zijn geweldigen, zijn vrouwen en zijn bijwijven dronken daaruit.

4

14Zij dronken den wijn, en prezen 15de gouden en de zilveren, de koperen, de ijzeren, de houten en de stenen goden.

5

Te zelver ure kwamen er 16vingers van eens mensen hand 17voort, die schreven tegenover 18den kandelaar, 19op den kalk van den wand van het koninklijk paleis; en 20de koning zag het deel der hand die daar schreef.

6

Toen veranderde zich 21de glans des konings, en zijn gedachten verschrikten hem, en de banden zijner lendenen 22werden los, en zijn knieën stieten 23tegen elkander aan;

7

Zodat de koning 24met kracht riep dat men 25de sterrenkijkers, de Chaldeeën en de waarzeggers inbrengen zou; en de koning 26antwoordde en zeide tot de wijzen van Babel: Alle man die dit schrift lezen en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal 27met purper gekleed worden, met een gouden 28keten om zijn hals, en 29hij zal de derde heerser 30in dit koninkrijk zijn.

8

Toen kwamen al de wijzen des konings in, maar 31zij konden dit schrift niet lezen, noch den koning deszelfs uitlegging bekendmaken.

9

Toen verschrikte de koning Bélsazar zeer, en 32zijn glans werd aan hem veranderd, en 33zijn geweldigen werden verbaasd.

10

34Om deze woorden des konings en zijner geweldigen ging 35de koningin in het huis des maaltijds. De koningin sprak en zeide: 36O koning, leef in eeuwigheid; laat u uw gedachten niet verschrikken en uw glans niet veranderd worden.

11

Er is een man in uw koninkrijk, in wien de geest der heilige goden is; want ain de dagen 37uws vaders is bij hem gevonden 38licht en verstand en wijsheid, 39gelijk de wijsheid der goden is; daarom 40stelde hem de koning Nebukadnézar, uw vader, tot 41een overste der tovenaars, der sterrenkijkers, der Chaldeeën en der waarzeggers; 42uw vader, o koning;

12

Omdat een voortreffelijke geest en wetenschap en verstand van een die dromen uitlegt, en der aanwijzing van raadselen, en van een 43die knopen ontbindt, gevonden werd in hem, in Daniël, dien de koning den naam Béltsazar 44gaf. Laat nu Daniël geroepen worden; die zal de uitlegging te kennen geven.

13

Toen werd Daniël voor den koning ingebracht. De koning 45antwoordde en zeide tot Daniël: 46Zijt gij die Daniël, een uit de gevankelijk weggevoerden van Juda, die de koning, 47mijn vader, uit Juda gebracht heeft?

14

48Ik heb toch van u gehoord dat de geest der goden in u is, en dat er licht en verstand en voortreffelijke wijsheid in u gevonden wordt.

15

Nu, zo zijn voor mij ingebracht de wijzen en de sterrenkijkers, om dit schrift te lezen en deszelfs uitlegging mij bekend te maken; maar 49zij kunnen de uitlegging 50dezer woorden niet te kennen geven.

16

Doch van u heb ik gehoord dat gij uitleggingen kunt 51geven en knopen ontbinden; nu, indien gij dit schrift zult kunnen lezen en zijn uitlegging mij bekendmaken, 52gij zult met purper bekleed worden, met een gouden keten om uw hals, en gij zult de derde heerser in dit koninkrijk zijn.

17

Toen antwoordde Daniël en zeide voor den koning: 53Heb uw gaven voor uzelven, en geef uw vereringen aan een ander; ik zal nochtans het schrift voor den koning lezen en de uitlegging zal ik hem bekendmaken.

18

54Wat u aangaat, o koning, de allerhoogste God heeft 55uw vader Nebukadnézar het koninkrijk en 56grootheid en 57eer en heerlijkheid gegeven;

19

En vanwege de grootheid die Hij hem gegeven had, beefden en sidderden alle volken, natiën en tongen 58voor hem; dien hij wilde doodde hij, en dien hij wilde behield hij in het leven, en dien hij wilde verhoogde hij, en dien hij wilde vernederde hij.

20

Maar 59toen zich zijn hart verhief en zijn geest verstijfd werd ter hovaardij, 60werd hij van den troon zijns koninkrijks afgestoten en men nam de eer van hem weg.

21

bEn 61hij werd van de kinderen der mensen verstoten, en 62zijn hart werd den beesten gelijkgemaakt, en 63zijn woning was bij de woudezels; 64men gaf hem gras te smaken gelijk den ossen, en zijn lichaam werd van den dauw des hemels natgemaakt, totdat hij bekende dat God, de Allerhoogste, Heerser is over de koninkrijken der mensen en over dezelve stelt wien Hij wil.

22

En gij, Bélsazar, zijn 65zoon, hebt uw hart niet vernederd, 66alhoewel gij dit alles wel geweten hebt.

23

Maar gij hebt u verheven tegen den Heere des hemels, en men heeft de vaten 67van Zijn huis voor u gebracht, en gij en uw geweldigen, uw vrouwen en uw bijwijven hebben wijn uit dezelve gedronken, en de goden van zilver en goud, koper, ijzer, hout en steen, 68die niet zien noch horen 69noch weten, hebt gij geprezen; maar dien God, 70in Wiens hand 71uw adem is, en bij Wien 72al uw paden zijn, hebt gij niet verheerlijkt.

24

73Toen is dat deel der hand 74van Hem gezonden, en dit schrift getekend geworden.

25

Dit nu is het schrift dat daar getekend is: 75MENÉ, MENÉ, TEKEL, UPHARSIN.

26

Dit is de uitlegging dezer woorden: MENÉ, God heeft uw koninkrijk geteld, en 76Hij heeft het voleind.

27

77TEKEL, gij zijt in weegschalen gewogen, en 78gij zijt te licht gevonden.

28

79PERES, uw koninkrijk is verdeeld, en het is den Meden en den Perzen gegeven.

29

Toen beval Bélsazar, 80en zij bekleedden Daniël met purper, met een gouden keten om zijn hals, en zij riepen overluid 81van hem 82dat hij de derde heerser in dat koninkrijk was.

30

83In dienzelven nacht werd Bélsazar, der Chaldeeën koning, 84gedood.