DE EERSTE ZENDBRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUSAAN DIE VANKORINTHE

HOOFDSTUK 14.

1 De apostel besluitende de voorgaande vermaning tot liefde, leert voorts dat degenen die naar geestelijke gaven staan, meest moeten staan naar de gave van profeteren. 5 Dat evenwel de gave van vreemde talen niet is te verachten, maar gebruikt moet worden met uitlegging derzelve. 7 Hetwelk hij bewijst met de gelijkenissen van een fluit, citer en bazuin. 10 En toont dat het strijdt tegen de natuur, en niet anders is dan of men tot barbaren sprak. 13 Leert verder dat men zo moet bidden, dat zulks geschiede niet alleen met den geest, maar ook met verstand. 16 Anderszins dat een die de vreemde taal niet verstaat, niet kan amen zeggen op zulk een gebed. 18 Bevestigt hetzelve met zijn eigen voorbeeld, hetwelk hij vermaant na te volgen. 21 En bewijst uit de Schrift, dat de vreemde talen somtijds meer een straf dan een gave zijn. 23 Leert ook dat het bespottelijk zou zijn, indien zij allen met vreemde talen spraken, maar stichtelijk indien zij allen profeteerden. 26 Daarna stelt hij enige regels, die men volgen moet in het gebruik der extraordinaire gaven, namelijk dat men alles moet doen tot stichting. 27 Als men met vreemde talen spreekt, dat een ander dat uitlegge. 29 Dat het profeteren geschiede bij beurten. 32 En dat de andere profeten daarvan oordelen. 34 Dat de vrouwen in de gemeente zwijgen. 37 Dat deze zijn ordinantiën des Heeren geboden zijn. 40 Eindelijk dat alles eerlijk en met orde in de gemeente moet geschieden.

Profetie meer dan tongentaal
1

JAAGT 1 de liefde na, en 2ijvert 3om de geestelijke gaven, maar meest dat gij moogt 4profeteren.

2

Want die 5een vreemde taal spreekt, spreekt niet 6den mensen, maar 7Gode; want niemand 8verstaat het, doch 9met den geest spreekt hij 10verborgenheden.

3

Maar 11die profeteert, 12spreekt den mensen 13stichting en vermaning en vertroosting.

4

Die een vreemde taal spreekt, die sticht zichzelven; maar die profeteert, die sticht de gemeente.

5

En 14ik wil wel dat gij allen in vreemde talen spreekt, maar meer dat gij profeteert. Want die profeteert, 15is meerder dan die vreemde talen spreekt, 16tenzij dan dat hij het uitlegt, opdat de gemeente stichting moge ontvangen.

6

En nu, broeders, indien ik tot u kwam en sprak vreemde talen, 17wat nuttigheid zou ik u doen, zo ik tot u 18niet sprak of in openbaring, of in kennis, of in profetie of in lering?

7

Zelfs ook 19de levenloze dingen die 20geluid geven, hetzij fluit, hetzij citer, zo zij geen 21onderscheid met hun klank geven, hoe zal bekend worden 22hetgeen gefloten of op de citer gespeeld wordt?

8

Want ook indien de 23bazuin 24een onzeker geluid geeft, wie zal zich tot den krijg bereiden?

9

Alzo ook gijlieden, indien gij niet 25door de taal een 26duidelijke rede geeft, hoe zal 27verstaan worden hetgeen gesproken wordt? Want gij zult zijn als die 28in de lucht spreekt.

10

Er zijn, 29naar het voorvalt, 30zovele soorten van stemmen in de wereld, en geen derzelve is 31zonder stem.

11

Indien ik dan 32de kracht der stem niet weet, zo zal ik hem die spreekt, 33barbaars zijn, en hij die spreekt, zal 34bij mij barbaars zijn.

12

Alzo ook gij, dewijl gij 35ijverig zijt naar 36geestelijke gaven, zo zoekt dat gij moogt 37overvloedig zijn 38tot stichting der gemeente.

13

Daarom, die in een vreemde taal 39spreekt, die 40bidde dat hij het moge uitleggen.

14

Want indien ik in een vreemde taal 41bid, 42mijn geest bidt wel, maar 43mijn verstand is 44vruchteloos.

15

45Wat is het dan? 46Ik zal wel met den geest bidden, maar ik zal ook 47met het verstand bidden; aik zal wel met den geest 48zingen, maar ik zal ook met het verstand zingen.

16

Anderszins, indien gij 49dankzegt met den geest, hoe zal degene die 50de plaats eens 51ongeleerden vervult, 52amen zeggen op uw dankzegging, dewijl hij niet weet wat gij zegt?

17

Want gij 53dankzegt wel behoorlijk, maar 54de ander wordt niet gesticht.

18

55Ik dank mijn God dat ik meer vreemde talen spreek dan gij allen;

19

Maar ik wil liever56in de gemeente 57vijf woorden spreken 58met 59mijn verstand, opdat ik ook anderen moge onderwijzen, dan 60tienduizend woorden in een vreemde taal.

20

bBroeders, 61wordt geen kinderen in het verstand, maar zijt kinderen 62in de boosheid, en wordt 63in het verstand 64volwassen.

21

c65In de Wet is geschreven: Ik zal door lieden 66van andere talen en door 67andere lippen 68tot dit volk spreken, en ook alzo zullen zij Mij 69niet horen, zegt de Heere.

22

Zo dan, de vreemde talen zijn 70tot een teken niet voor degenen die geloven, maar voor 71de ongelovigen; en 72de profetie 73niet voor de ongelovigen, maar voor degenen die geloven.

23

Indien dan de gehele gemeente bijeenvergaderd was, en zij allen in vreemde talen spraken, en enige ongeleerden of 74ongelovigen inkwamen, zouden zij niet zeggen 75dat gij uitzinnig waart?

24

Maar indien zij 76allen profeteerden, en een ongelovige of ongeleerde inkwam, die wordt 77van allen 78overtuigd en hij wordt van allen 79geoordeeld;

25

En alzo worden 80de verborgen dingen zijns harten openbaar; en alzo 81vallende op zijn aangezicht, zal hij God aanbidden, en verkondigen 82dat God waarlijk 83onder u is.

Orde in de samenkomsten
26

84Wat is het dan, broeders? Wanneer gij samenkomt, een iegelijk van u, heeft hij 85een psalm, heeft hij 86een leer, heeft hij een vreemde taal, heeft hij 87een openbaring, heeft hij 88een uitlegging: laat alle dingen geschieden tot stichting.

27

En zo iemand een vreemde taal spreekt, dat het 89door twee of ten meeste drie geschiede, en 90bij beurten, en dat 91één het uitlegge.

28

Maar indien er 92geen uitlegger is, dat 93hij zwijge in de gemeente, doch dat hij 94tot zichzelven spreke en 95tot God.

29

En dat 96twee of drie 97profeten 98spreken, en dat 99de anderen 100oordelen.

30

Doch indien 1een ander 2die er zit, 3iets geopenbaard is, 4dat de eerste zwijge.

31

Want gij kunt allen, de een na den ander, profeteren, opdat 5zij allen leren en allen 6getroost worden.

32

En 7de geesten der profeten 8zijn den profeten onderworpen.

33

Want God is 9geen God van 10verwarring, maar van vrede, 11gelijk in al de gemeenten der heiligen.

34

dDat uw vrouwen in de gemeenten 12zwijgen; want het is haar niet toegelaten 13te spreken, maar bevolen 14onderworpen te zijn, gelijk ook 15ede Wet zegt.

35

En zo zij iets willen 16leren, laat haar te huis 17haar eigen mannen vragen; want het staat 18lelijk voor de vrouwen dat zij in de gemeente spreken.

36

Is het Woord Gods 19van u uitgegaan? Of is het tot 20u alleen gekomen?

37

Indien iemand 21meent een profeet te zijn of 22geestelijk, die 23erkenne dat hetgeen ik u schrijf, 24des Heeren geboden zijn.

38

Maar zo iemand 25onwetend is, 26die zij onwetend.

39

Zo dan, broeders, ijvert om te profeteren, en 27verhindert niet in vreemde talen te spreken.

40

Laat 28alle dingen 29eerlijk en 30met orde geschieden.